De overheid zorgt voor verslavingen

Het drugsverbod als symptoombestrijding van een dieper maatschappelijk probleem

Veel mensen gebruiken drugs niet omdat ze roekeloos zijn, maar omdat ze moe zijn. Moe van de voortdurende prestatiedruk. Moe van financiële zorgen die als een mist over het dagelijks leven hangen. Moe van een overheid die burgers stapelt onder regels, verplichtingen, toeslagen, uitzonderingen, correcties en boetes..., en vervolgens verbaasd is dat mensen soms behoefte hebben aan een mentale pauzeknop.

Drugs worden in het publieke debat vaak neergezet als het probleem zélf. Maar wie goed kijkt, ziet dat drugsgebruik in veel gevallen slechts een reactie is op een samenleving die mensen structureel onder druk zet. Het is een symptoom van een maatschappij waarin rust, betaalbaarheid en mentale ruimte steeds schaarser worden.

Financiële stress als broedplaats voor escapisme
De overheid spreekt graag over “het beschermen van de volksgezondheid”. Maar dezelfde overheid veroorzaakt voor miljoenen mensen een continue financiële stress door stijgende lasten, ondoorgrondelijke systemen en een huizenmarkt die voor velen onbereikbaar is.
Stress, onzekerheid en het gevoel de controle kwijt te zijn, zijn bekende risicofactoren voor problematisch middelengebruik. Het wrange is: wie de stress veroorzaakt, verbiedt vervolgens de uitvlucht.

Een drugsverbod zonder sociaal beleid dat stress vermindert is als een pleister op een gebroken been. Het ziet er daadkrachtig uit, maar het lost niets op.
Regels, verplichtingen en een overheid die het zelf ook niet meer snapt.
Het moderne leven is doordrenkt met regels. Je moet voldoen aan eisen die voortdurend veranderen. Je moet aanvragen, bewijzen, controleren, inloggen, doorgeven, corrigeren, aantonen en betalen. Veel mensen doen hun uiterste best om alles goed te doen en raken juist daardoor uitgeput.

In zo’n context is het niet vreemd dat mensen op zoek gaan naar iets dat tijdelijk rust geeft. Of dat nu sporten is, gamen, alcohol, of inderdaad drugs. Maar alleen dat laatste is strafbaar.
Je zou bijna zeggen: de overheid verbiedt het middel, maar niet de oorzaak. Waarom niet proberen het probleem bij de wortel aan te pakken? Stel dat de overheid dezelfde energie die ze steekt in het handhaven van het drugsverbod, zou gebruiken om te voorkomen dat mensen überhaupt behoefte hebben aan die ontsnapping. Wat als we zouden investeren in:
- Betaalbare woningen
- Minder bureaucratie
- Stabiele, voorspelbare regelgeving
- Echte armoedebestrijding
- Laagdrempelige mentale ondersteuning

Het is geen radicale gedachte dat een samenleving die meer rust biedt, minder behoefte creëert aan vluchtgedrag. Een deel van het drugsprobleem zou kunnen verdampen doordat de voedingsbodem verdwijnt.

De discussie gaat niet over drugs, maar over menselijkheid
Het is te makkelijk om mensen die drugs gebruiken te veroordelen, net zoals het te makkelijk is om alles te verbieden wat afwijkt. Een volwassen samenleving durft te kijken naar waarom mensen gebruiken..., niet alleen wat ze gebruiken.

Zolang de maatschappij mensen afmat, zullen mensen manieren zoeken om te ontsnappen. Zolang de overheid de stress vergroot, zal het drugsverbod aanvoelen als hypocrisie. En zolang we blijven doen alsof het probleem uitsluitend in het middel zit, blijven we blind voor de realiteit: dit gaat niet over drugs. Dit gaat over mensen die rust zoeken in een land dat hen geen rust gunt.

Het oplossen van het drugsprobleem begint niet met meer verboden. Het begint met minder stress.

Voorgekauwde gezelligheid

De kalender van gezelligheid. Een valse schijn van verbondenheid

In Nederland hechten we veel waarde aan ritme en regelmaat. Zelfs onze gezelligheid is keurig ingepland. Elk jaar opnieuw worden we via reclames, overheidscommunicatie en sociale campagnes herinnerd aan de “belangrijke” momenten waarop we met z’n allen moeten samenkomen. Kerst. Koningsdag. Pasen. Bevrijdingsdag. De kalender staat vol vaste ankerpunten waarop het bijna een maatschappelijke plicht lijkt om gezellig te doen, de familie te bezoeken en warmte te tonen.

Maar daar tegenover staat de rest van het jaar...., en dat deel is een stuk groter. Buiten die zorgvuldig aangewezen ‘gezellige’ momenten draait het leven voornamelijk om werken, presteren, produceren. De structuur van onze maatschappij is zo ingericht dat vrije tijd bijna luxe is geworden. Talloze gezinnen rennen van vroege meetings naar kinderopvang, van deadlines naar sportclubs, en vallen ’s avonds uitgeput neer. Tijd voor familiebezoek? Tijd om samen te zijn? Tijd om echt aanwezig te zijn? Dat past vaak niet meer in het schema.

De paradox van georganiseerde saamhorigheid
Juist omdat de samenleving zo strak georganiseerd is, wordt er massaal vastgehouden aan die paar feestdagen. Niet omdat er ineens meer tijd is, maar omdat die dagen ons worden voorgeschreven als hét moment om elkaar niet te vergeten. De overheid en de commerciële wereld spelen hier handig op in: reclames vol warme families, campagnes over samen zijn en de boodschap dat verbondenheid iets is wat je moet consumeren en moet plannen.

Het wrange is dat mensen deze boodschappen, herhaald jaar in jaar uit, gaan internaliseren. Mensen zijn sociale dieren; we spiegelen gedrag, we volgen patronen, we doen wat “normaal” wordt gevonden. En als de norm wordt dat gezelligheid vooral iets is voor in december, dan wordt dat vanzelf waarheid.

De hypocrisie van kerst: ‘Niemand mag alleen zijn’
Rond kerst duikt steevast dezelfde slogan op: “Met kerst mag niemand alleen zijn.”
Het klinkt warm en menselijk, maar is eigenlijk pijnlijk hypocriet. Want waarom zou dat alleen rond kerst gelden? Waarom is het wél een probleem als iemand op 25 december alleen eet, maar geen probleem als diezelfde persoon op 7 februari, 18 april, of 3 oktober dag in dag uit niemand ziet?

Het jaarlijkse koortslied van saamhorigheid benadrukt vooral hoe weinig ruimte er in de rest van het jaar voor is. De boodschap is bijna cynisch: “Vandaag denken we even aan je. Morgen weer niet.”

De prijs: opvoeding en menselijke relaties
Door het voortdurend gejaag en de hoge maatschappelijke druk lijdt niet alleen de sociale cohesie, maar ook de opvoeding. Ouders hebben minder tijd om aanwezig te zijn, om hun kinderen écht te begeleiden, om rust in het gezin te brengen. Het systeem vraagt ongelimiteerde productiviteit, terwijl het nauwelijks ruimte laat voor de relaties die ons menselijk maken.

En zo blijven we in een cyclus hangen:
- weinig tijd om elkaar te zien
- weinig ruimte voor echte verbinding
- massale nadruk op een paar verplichte ‘gezellige’ dagen
- een bevolking die, door herhaling en gewenning, niet anders meer weet dan dat dit is “hoe het hoort”.

Valse schijn die barsten vertoont
De paradox is dat de overheid en de maatschappij wel prediken over gemeenschapszin, maar tegelijkertijd een structuur in stand houden die diezelfde gemeenschapszin ondermijnt. Het eindresultaat is een valse schijn van verbondenheid: gezelligheid die alleen mag bestaan op de momenten die officieel zijn aangewezen.
Echte verbondenheid..., spontaan, regelmatig, vrij..., is daar niet van afhankelijk. Maar zolang het leven zo georganiseerd is dat er nauwelijks tijd of energie overblijft, blijft het bij symboliek.

Gezelligheid is verworden tot een jaarlijkse toneelvoorstelling, terwijl het eigenlijk een dagelijks ritueel zou moeten kunnen zijn.

Oorlogen in één klap voorbij?

Oorlogen hoeven niet, maar we doen allemaal wel mee

Oorlogen worden vaak voorgesteld als het resultaat van “grote mannen” in marmeren zalen: regeringsleiders, generaals, strategen. Maar iedere oorlog, hoe politiek verpakt ook, wordt uiteindelijk uitgevochten door mensen met laarzen in de modder en handen aan de trekker. Zonder uitvoerders geen oorlog..., zo simpel lijkt het.

En inderdaad: als iedere soldaat, piloot, technicus en logistiek medewerker op een dag zou opstaan en zeggen: “Los het lekker zelf op”, zou het systeem vastlopen. Een leger zonder uitvoerenden is geen leger maar een papieren tijger. In die zin heeft jouw stelling een harde, bijna wiskundige logica: macht bestaat bij gratie van gehoorzaamheid.

Maar daarmee komt ook een ongemakkelijke vraag naar voren: waar ligt de morele verantwoordelijkheid voor oorlog?

Het systeem draait op gewone mensen
In elke gewapende strijd zijn het niet de leiders die de kogels afvuren of de bommen laten vallen. Het zijn individuen die vaak onder hoge druk, indoctrinatie of economische nood, gehoorzamen aan bevelen die ze soms zelf niet eens volledig begrijpen. Dat maakt de uitvoerenden niet automatisch schuldig, maar wel onmisbaar in het voortbestaan van oorlogen.

Het idee dat miljoenen soldaten, piloten, wapenmonteurs, chauffeurs en technici op een dag collectief hun schouders ophalen en zeggen: “Dit gaan we niet doen”, lijkt utopisch… maar het is ook precies wat de machthebbers het meeste vrezen. Niet de vijand. Niet de sancties. Maar massale ongehoorzaamheid.

Waarom gebeurt het dan niet?

Omdat oorlogsmachines draaien op meer dan bevelen:
Angst: voor straf, voor verraad aan kameraden, voor sociale uitsluiting.
Propaganda: die oorlog framed als bescherming, plicht, eer of noodzakelijke risico’s.
Overleven: veel mensen sluiten zich aan bij leger of luchtmacht omdat ze anders geen toekomst hebben.
Structuur: hiërarchie vervangt individuele verantwoordelijkheid door loyaliteit aan de groep.

In die omgeving wordt “nee zeggen” niet alleen moeilijk, maar soms levensgevaarlijk.

De paradox van verantwoordelijkheid
Je kunt dus zeggen dat uitvoerenden mede de oorlog mogelijk maken..., en daar zit natuurlijk een kern van waarheid in. Maar je kunt niet ontkennen dat ze zelf vaak de gevangenen zijn van een systeem dat al bestond voordat zij geboren werden.
De echte vraag is dan niet: Waarom zeggen soldaten niet gewoon “los het lekker zelf maar op”?
Maar eerder: Waarom hebben samenlevingen structuren gecreëerd waarin die vraag bijna onmogelijk te stellen is?

Geschiedenis toont momenten waarop gewone soldaten weigerden. Waarin legers staakten. Waarin bevelen niet werden opgevolgd. Waarin de oorlog werkelijk stopte omdat mensen besloten dat ze geen instrument meer wilden zijn.
Oorlog is geen natuurkracht. Het is een menselijke constructie. En alles wat door mensen wordt gemaakt, kan door mensen worden stopgezet.
Of dat ooit op wereldschaal gebeurt? Misschien niet. Maar het inzicht dat vrede in feite rust op een collectieve weigering tot geweld en niet op de wijsheid van leiders, is krachtiger dan vaak wordt toegegeven.

Oorlog heeft geen enkel nut

Oorlog: het failliet van de mensheid

Wat je ook bedenkt, oorlog heeft totaal geen enkel nut. Geen enkel. Oorlog brengt geen echte veiligheid, geen duurzame vrede en geen rechtvaardigheid. Het enige wat oorlog consequent oplevert zijn doden, verwoeste levens, trauma’s en samenlevingen die generaties nodig hebben om enigszins te herstellen. Oorlog voeren en anderen onderdrukken is geen teken van kracht, maar van moreel failliet.

Toch blijven mensen, vaak machthebbers die zelf ver van het front blijven, beslissen over leven en dood. Ze verschuilen zich achter woorden als “veiligheid”, “nationale belangen” of “verdediging”, terwijl het in werkelijkheid vaak gaat om macht, geld, grondstoffen of prestige. De rekening wordt nooit betaald door hen die de knopen doorhakken, maar door burgers: kinderen, ouders, grootouders, mensen die simpelweg proberen te leven.

Wie oorlog voert of structureel andere bevolkingsgroepen onderdrukt, zou keihard moeten worden afgestraft. Niet symbolisch, niet met loze veroordelingen, maar met echte consequenties. Toch gebeurt dat zelden. Waarom niet? Omdat het internationale systeem gebouwd is op hypocrisie en selectieve verontwaardiging. Grote en invloedrijke landen beschermen elkaar, blokkeren sancties, verdraaien feiten of noemen oorlog “complex”. Recht geldt vooral voor de zwakken; de sterken staan er te vaak boven.

En terwijl dit alles gebeurt, kijkt de wereld toe. Soms geschokt, soms verontwaardigd, maar meestal passief. We scrollen langs beelden van verwoeste steden, dode lichamen en huilende kinderen alsof het abstracte tragedies zijn, ver weg van ons bed. Politici spreken hun “diepe zorgen” uit, maar ondernemen geen actie die echt pijn doet bij de daders. Economische belangen winnen het bijna altijd van mensenlevens.

Het meest schrijnende is dat we wéten wat oorlog aanricht. Dit is geen onwetendheid meer, geen excuus van “we konden het niet voorzien”. We hebben geschiedenisboeken, rapporten, ooggetuigen en livebeelden. En toch laten we toe dat een groot deel van de mensheid wordt bedreigd, gedood of alles kwijtraakt wat ze hebben opgebouwd.

Oorlog is geen natuurverschijnsel. Het is een keuze. Een keuze gemaakt door mensen, en dus ook een keuze die gestopt kan worden door mensen. Zolang oorlogvoerders niet werkelijk verantwoordelijk worden gehouden en zolang de wereld blijft toekijken in plaats van handelen, zijn we allemaal medeplichtig. Misschien niet door wat we doen, maar door wat we laten gebeuren.

Vuurwerkslachtoffers door vallende opvoeding

Steeds meer vuurwerkslachtoffers: waar zijn de volwassenen gebleven?

Elk jaar rond de jaarwisseling herhaalt hetzelfde trieste patroon zich: kinderen met brandwonden, oogletsel of blijvende schade door vuurwerk. De cijfers stijgen, de verhalen worden schrijnender, maar de oorzaken lijken steeds minder besproken te worden. Want laten we eerlijk zijn: dit probleem gaat niet alleen over vuurwerk. Het gaat over opvoeding. Of beter gezegd: het gebrek daaraan.

Steeds jongere kinderen lopen met zwaar vuurwerk rond. Ze weten niet wat ze in handen hebben, onderschatten het gevaar en voelen zich onaantastbaar. Dat is geen verrassing. Kinderen van 10, 11 of 12 jaar kunnen risico’s simpelweg nog niet goed inschatten. Daar zijn volwassenen voor nodig. Ouders. Verzorgers. Mensen die grenzen stellen en verantwoordelijkheid nemen. En juist daar gaat het mis.

Veel ouders letten niet meer op. Ze weten niet wat hun kinderen doen, met wie ze omgaan of wat ze afsteken op straat. Het gesprek over gevaar, verantwoordelijkheid en consequenties wordt niet gevoerd. Belangrijke levenslessen, zoals luisteren naar regels, respect hebben voor veiligheid en nadenken over gevolgen, blijven liggen. Opvoeden kost tijd, moeite en soms confrontatie. En precies dat lijkt steeds vaker vermeden te worden.

Rond de leeftijd van 13 jaar wordt het probleem nog groter. Ouders laten los, niet omdat het kind er klaar voor is, maar omdat het makkelijker is. “Ze moeten het zelf maar leren,” klinkt het dan. Maar zelf leren met vuurwerk betekent soms: leren met blijvend letsel. Met trauma. Of erger.

Als deze trend zich voortzet, zal iedere generatie het zwaarder krijgen. Niet omdat kinderen slechter zijn dan vroeger, maar omdat ze minder begeleiding krijgen. Minder grenzen. Minder aandacht. We kunnen wetten aanscherpen en vuurwerk verbieden, maar zolang volwassenen hun rol blijven verzaken, blijft het probleem bestaan.

Vuurwerkslachtoffers zijn zelden alleen slachtoffers van een explosie. Vaak zijn ze ook slachtoffers van nalatigheid. Van wegkijkende volwassenen. Van een samenleving die opvoeding steeds meer als een last ziet in plaats van een verantwoordelijkheid.

Misschien is het tijd om niet alleen te vragen: moet vuurwerk verboden worden?
Maar vooral: wanneer nemen we opvoeding weer serieus?

De overheid bedenkt en jij moet betalen

Verplicht betalen voor verplichtingen: een scheve logica

De overheid verplicht burgers om zich te identificeren. Dat is geen suggestie, geen advies, maar een wettelijke plicht. Wie geen geldig identiteitsbewijs kan tonen, riskeert een boete. Toch is het de burger zelf die moet betalen voor dit verplichte document. En niet één keer, maar telkens opnieuw: bij verlenging, bij verlies, bij wijziging. Dat is niet alleen onlogisch, het is principieel verkeerd.

Want laten we eerlijk zijn: een identiteitsbewijs is geen luxeproduct. Het is geen vrijwillige dienst waar je voor kiest. Het is een toegangsbewijs tot de samenleving, opgelegd door de overheid zelf. Als de overheid eist dat iedere burger een ID bezit, dan zou het ook vanzelfsprekend moeten zijn dat zij deze basisvoorziening kosteloos verstrekt.

Het probleem gaat verder dan alleen het identiteitsbewijs. Steeds vaker worden burgers geconfronteerd met kosten die voortkomen uit verplichtingen die de overheid zelf oplegt. Denk aan verplichte keuringen, administratieve handelingen, certificaten of documenten die nodig zijn om aan regels te voldoen. De redenering lijkt telkens dezelfde: de overheid bepaalt de regel, maar de rekening komt bij de burger te liggen.

Dit raakt vooral mensen met een laag inkomen. Voor hen zijn de kosten van een ID-kaart of paspoort geen kleinigheid, maar een serieuze financiële drempel. Ironisch genoeg zijn het juist deze mensen die het hardst worden geraakt door boetes wanneer zij niet aan de identificatieplicht kunnen voldoen. Zo ontstaat een vicieuze cirkel waarin armoede en straf elkaar versterken.

Het argument dat “de kosten nu eenmaal ergens vandaan moeten komen” snijdt weinig hout. De overheid wordt gefinancierd door belastinggeld van diezelfde burgers. Het is dus geen extra gunst om een verplicht document te vergoeden, maar een logische besteding van publieke middelen. We accepteren ook niet dat burgers zelf moeten betalen voor stembiljetten om te mogen stemmen of voor politiebescherming om veilig te kunnen leven.

Een overheid die haar burgers verplichtingen oplegt, heeft ook een verantwoordelijkheid om die verplichtingen eerlijk en toegankelijk te maken. Verplichtingen zonder financiële barrières. Want wie regels oplegt en tegelijk de kosten afschuift, ondermijnt het vertrouwen van burgers in de rechtvaardigheid van het systeem.

Verplicht is verplicht. En wat verplicht is, zou nooit afhankelijk mogen zijn van iemands portemonnee.

Puperjongens alleen maar lastig???

Geef puberjongens weer ruimte om te groeien

Puberjongens hebben het moeilijk. Veel moeilijker dan we als samenleving willen erkennen. Ze zitten gevangen in een tussenfase waarin hun hoofd nog dat van een kind is, terwijl hun lichaam steeds meer dat van een volwassene wordt. En precies daar gaat het mis.

Gedrag dat jarenlang werd gezien als normaal kinderlijk gedrag zoals luid praten, schreeuwen tijdens het spelen, overdreven doen, stoeien, grapjes maken, kinderachtige interesses hebben enzovoort, wordt plotseling anders beoordeeld zodra een jongen groter wordt. Waar we bij een kind glimlachend zeggen: “Ach ja, jongens hè”, reageren we bij een puber met afkeuring. Opeens is hetzelfde gedrag agressief, bedreigend, onfatsoenlijk of respectloos.

Niet omdat het gedrag wezenlijk veranderd is, maar omdat het lichaam veranderd is.

Een lange jongen met een lage stem die lacht, roept of druk is, roept bij volwassenen sneller angst of irritatie op. Zijn aanwezigheid voelt “te groot”, “te luid”, “te veel”. Terwijl hij vaak nog exact dezelfde jongen is als een jaar eerder, alleen met bredere schouders en grotere schoenen. Die mismatch tussen uiterlijk en innerlijke ontwikkeling wordt hem voortdurend nagedragen.

Daarmee leggen we puberjongens een zware last op. Ze krijgen signalen dat ze te wild zijn, te aanwezig, te luid, te mannelijk. Dat ze zich moeten inhouden, aanpassen, beheersen. Maar niemand heeft hen geleerd hoe dat moet. Verwachtingen veranderen van de ene op de andere dag, zonder uitleg, zonder begeleiding. En als ze daar niet meteen in slagen, volgt straf of afwijzing.

Wat we zien als respectloosheid is vaak onzekerheid. Wat we zien als agressie is vaak onmacht. Wat we zien als bedreigend is vaak gewoon een jongen die nog aan het leren is waar hij met zijn lijf en energie heen moet.

In plaats van puberjongens steeds sneller te corrigeren, zouden we ze juist beter moeten begeleiden. Leg uit waarom bepaald gedrag anders wordt ervaren. Bied veilige plekken waar ze hun energie kwijt kunnen. Geef ruimte voor fouten, voor groei, voor zoeken. Verwacht verantwoordelijkheid..., maar met geduld en context.

Want puberjongens zijn geen dreiging. Ze zijn geen probleem dat opgelost moet worden. Ze zijn mensen in ontwikkeling. En als we blijven reageren met angst en veroordeling, leren we hen niet hoe ze volwassen mannen moeten worden, maar we leren hen dan alleen dat ze niet welkom zijn zoals ze zijn.

En dat is misschien wel het grootste probleem van allemaal.

Laffe leiders

Waardeloze leiders bouwen niets op, die breken alleen maar alles af

Er zijn leiders die geschiedenisboeken ingaan als bouwers, verbinders en hervormers. En er zijn leiders die alleen maar sporen van puin, trauma en dood achterlaten. Figuren als Vladimir Poetin en Benjamin Netanyahu behoren onmiskenbaar tot die laatste categorie. Niet omdat zij “hard” zijn of “krachtig leiderschap” tonen, maar juist omdat zij fundamenteel falen als leiders. Wie alleen kan vernietigen, maar niets kan opbouwen, is geen leider, het is een sloper met macht.

Deze mannen hebben één ding gemeen: een schrijnend gebrek aan respect voor mensenlevens. Voor hen zijn burgers geen mensen met gezinnen, dromen en angsten, maar middelen. Cijfers. Collateral damage. Ze sturen hun eigen bevolking of die van een ander land het front op om hun ideologische fantasieën te realiseren, terwijl ze zelf veilig op afstand blijven. Dat is geen moed. Dat is lafheid in zijn zuiverste vorm.

Echte leiders zouden hun idealen verdedigen met woorden, diplomatie en verantwoordelijkheid. Niet door jonge mannen en vrouwen te laten sterven voor ideeën waarvoor ze zelf nooit bereid zouden zijn hun leven te riskeren. Wie anderen laat vechten voor zijn overtuigingen, maar zelf nooit het slagveld zou betreden, verraadt vooral zijn eigen angst.

Nog schrijnender is dat dit alles niet mogelijk zou zijn zonder de bereidwillige medewerking van gewone burgers. Mensen die zich, vaak voor geld, lenen om samenlevingen te verwoesten en andere mensen te doden. Dat roept een ongemakkelijke vraag op: waar ligt individuele verantwoordelijkheid? Hoe moreel leeg moet een systeem zijn als moord en vernietiging gewoon “werk” worden?

En dan is er de wapenindustrie, een sector die floreert bij menselijk leed. Terwijl steden in puin liggen en families uiteengerukt worden, draaien de winstmarges op volle toeren. Dat zegt iets over de structuren waarin we leven, maar ook over de mensen die ervoor kiezen daar te werken. Wie werkelijk respect heeft voor elk mensenleven, produceert geen instrumenten die uitsluitend bedoeld zijn om levens te beëindigen. Punt.

Een wereldwijd verbod op het maken van wapens zou de wereld onmiskenbaar rustiger maken. Niet perfect, maar rustiger. Toch is dat voor de internationale politiek blijkbaar onbespreekbaar. Oorlog kost levens, maar levert geld op. En zolang oorlog economisch aantrekkelijk blijft, zullen staten er nooit echt afscheid van nemen, hoe hypocriet hun vredestoespraken ook klinken.

Echte vrede begint niet bij leiders als Poetin of Netanyahu. Die zullen blijven komen en gaan. Vrede begint bij burgers die weigeren mee te werken. Bij soldaten die zeggen: “Los het zelf lekker op...” Bij arbeiders die weigeren wapens te maken. Want als niemand meer bereid is te vechten, te doden of te profiteren, staan deze zogenaamde leiders plotseling met lege handen.

En dan blijkt hoe klein en zielig ze werkelijk zijn. Bang, laf en volstrekt machteloos zonder de mensen die ze misbruiken.

De kracht van ongelovigen

Vrijheid zonder voorwaarden

In een tijd waarin samenlevingen steeds diverser worden, groeit ook de behoefte aan een gedeelde basis van vrijheid en wederzijds respect. Juist daar ligt de kracht van ongelovigen. Niet omdat zij moreel superieur zouden zijn, maar omdat een niet-religieuze levenshouding in de praktijk vaak minder voorwaarden stelt aan wie “erbij hoort”.

Ongelovigen delen doorgaans geen heilige tekst die voorschrijft hoe anderen moeten leven. Daardoor is hun morele kompas meestal gebaseerd op universele principes als gelijkwaardigheid, autonomie en wederzijds respect. Wie je bent, van wie je houdt of wat je gelooft, is geen reden om uitgesloten te worden. Vrouwen, homo’s, LHBTI+’ers en mensen met uiteenlopende overtuigingen worden in principe in hun waarde gelaten. Niet omdat dat “moet”, maar omdat vrijheid alleen geloofwaardig is wanneer die voor iedereen geldt.

Dat staat in contrast met veel religieuze tradities, waarin morele regels zijn vastgelegd in oude geschriften die ontstonden in een heel andere tijd. 

Natuurlijk: gelovigen vormen geen homogene groep. Er zijn ruimdenkende christenen, joden en moslims die individuele vrijheid verdedigen en inclusiviteit omarmen. Maar institutioneel en doctrinair wringt het vaak. Zodra een heilige tekst als ultieme waarheid wordt gezien, ontstaat spanning met moderne opvattingen over gelijkheid en zelfbeschikking.

Met name binnen de islam is die spanning zichtbaar, al verschilt de praktijk sterk per land, gemeenschap en individu. De Koran en de daarop gebaseerde interpretaties spelen voor veel moslims een centrale rol in het dagelijks leven. Dat is hun goed recht. Tegelijkertijd laten conservatieve interpretaties weinig ruimte voor afwijkende levensstijlen: homoseksualiteit wordt afgewezen, vrouwenrechten ingeperkt en afvalligheid bestraft...., soms sociaal, soms wettelijk. Het probleem zit hier niet in mensen, maar in ideeën die moeilijk te verenigen zijn met een open, seculiere rechtsstaat.

Ongelovigheid kent die structurele beperking niet. Wie geen beroep doet op goddelijke autoriteit, hoeft zijn moraal niet te verdedigen met “zo staat het geschreven”. Dat maakt het makkelijker om inzichten te herzien, mee te bewegen met maatschappelijke vooruitgang en kritiek serieus te nemen. Tolerantie is dan geen gunst, maar een logisch gevolg van het uitgangspunt dat niemand de absolute waarheid bezit.

De conclusie is niet dat gelovigen per definitie onverdraagzaam zijn of dat religie geen positieve rol kan spelen in iemands leven. Wel dat religie, zodra zij richtinggevend wordt voor wetgeving en sociale normen, vaak botst met individuele vrijheden. Op dat vlak hebben ongelovigen een belangrijk voordeel: hun overtuiging sluit niemand uit. In een pluriforme samenleving is dat geen detail, maar een kracht.

Leven volgens een schema

De tirannie van het schema

We leven in een tijd waarin alles gemeten, gepland en gereguleerd moet worden. Niet alleen ons werk, maar ook ons lichaam. We moeten op vaste tijden eten, liefst drie maaltijden en twee tussendoortjes. We moeten op tijd naar bed, bij voorkeur rond elf uur, want anders verstoren we ons bioritme. We moeten minimaal acht uur slapen, niet meer en vooral niet minder. Zelfs onze ontlasting ontsnapt niet aan deze drang tot controle: is de structuur niet “zoals het hoort”, dan is er vast iets mis en is een bezoek aan een deskundige noodzakelijk.

Alsof het menselijk lichaam een machine is met een handleiding die strikt gevolgd moet worden.

Van nature leefde de mens heel anders. We aten wanneer we honger hadden en sliepen wanneer we moe waren. Het lichaam gaf signalen af en we luisterden daarnaar. Die signalen waren leidend, niet de klok, niet een app en niet een influencer met een ochtendroutine van vijf stappen naar een “optimaal leven”. Honger was geen probleem dat opgelost moest worden met een schema, maar een aanwijzing. Vermoeidheid geen zwakte, maar een boodschap.

In de afgelopen eeuw zijn we dat natuurlijke vertrouwen grotendeels kwijtgeraakt. Met de opkomst van fabriekswerk, vaste werktijden en kunstlicht werd de klok belangrijker dan het lichaam. Later kwamen de gezondheidsgoeroes, de voedingsrichtlijnen, de slaaptrackers en de eindeloze lijstjes van wat wel en niet mag. Glutenvrij, suikervrij, lactosevrij, koolhydraatarm – vaak zonder medische noodzaak, maar uit angst om “het verkeerd te doen”.

Het ironische is dat deze obsessie met gezondheid ons niet per se gezonder maakt. Integendeel: veel mensen zijn juist continu onrustig. Heb ik wel genoeg geslapen? Was dit wel het juiste moment om te eten? Had ik niet beter iets anders kunnen kiezen? Het luisteren naar het eigen lichaam maakt plaats voor wantrouwen. We geloven eerder een grafiek dan een gevoel.

Natuurlijk is kennis waardevol. Het is goed om te weten wat voeding met je doet en hoe slaap werkt. Maar er is een verschil tussen bewust leven en krampachtig reguleren. Tussen zorgen voor jezelf en jezelf voortdurend corrigeren. Het lichaam is geen project dat voortdurend geoptimaliseerd moet worden, maar een systeem dat zich verrassend goed kan aanpassen, mits we het de ruimte geven.

Misschien zouden we wat vaker mogen loslaten. Niet eten omdat “het tijd is”, maar omdat je honger hebt. Niet in bed liggen omdat de klok dat zegt, maar omdat je ogen zwaar worden. En accepteren dat niet elke dag hetzelfde is, en dat dat ook helemaal niet hoeft.

Want hoe meer we proberen het leven te beheersen met regels en schema’s, hoe verder we afdrijven van iets essentieels: het simpele, instinctieve vertrouwen in ons eigen lichaam.

Oorzaken zelfdoding bij jongeren

De prestatiedruk die jongeren breekt

Zelfdoding onder jongeren is geen individueel falen, maar een maatschappelijk alarmsignaal. Wie het probleem reduceert tot “mentale kwetsbaarheid” mist de kern. Jongeren groeien op in een samenleving die structureel te veel van hen vraagt en te weinig teruggeeft. Presteren is geen middel meer, maar een morele plicht geworden. En wie even niet meekan, valt buiten de boot.

Van jongeren wordt verwacht dat ze alles tegelijk doen. Goed presteren op school, een bijbaan hebben om geld te verdienen, sporten om fit te blijven, sociaal actief zijn, en ondertussen een perfect leven etaleren op sociale media. 

Daarbovenop komen de onophoudelijke oordelen over uiterlijk, succes en populariteit. Erbij horen is geen vanzelfsprekendheid meer, maar een permanente toets. Tijd om het verstand op nul te zetten, om te lanterfanten en gewoon plezier te maken, is schaars. Uitgaan is bovendien voor veel jongeren simpelweg te duur geworden: wie geen geld heeft, ontspant minder of helemaal niet.

Tegelijkertijd zijn veel ouders hard aan het werk om het hoofd boven water te houden. Ze willen er zijn voor hun kinderen, maar worden opgeslokt door lange werkdagen, flex-contracten en onzekerheid. Het gevolg is geen onwil, maar afwezigheid. Minder tijd voor het gesprek aan de keukentafel, minder ruimte om signalen op te vangen. Jongeren blijven vaker alleen met hun zorgen. In een cultuur waarin “druk” de norm is, leren ze bovendien dat klagen zwak is en dat falen iets is om je voor te schamen.

De samenleving is ingericht op meten, vergelijken en optimaliseren. Cijfers, targets, likes en rankings bepalen wie ertoe doet. Dat is geen natuurwet, maar een politieke keuze. Met name het jarenlange beleid onder leiding van de VVD met hun allesomvattende kreet 

"De hardwerkende Nederlander" heeft een hoop ellende voor de jeugd losgemaakt en de prestatiemaatschappij versterkt: nadruk op marktwerking, individuele verantwoordelijkheid en economische groei, terwijl publieke voorzieningen onder druk kwamen te staan. Onderwijs werd steeds meer een selectiemechanisme, jeugdzorg versoberd, en bestaanszekerheid voor gezinnen uitgehold. Het idee dat iedereen het kan maken als hij maar hard genoeg werkt, klinkt motiverend, maar werkt in de praktijk verlammend voor wie struikelt. 

Voor jongeren betekent dit: geen pauzeknop, geen vangnet en weinig ademruimte. Wie het tempo niet bijhoudt, internaliseert de schuld. Dat is een gevaarlijke cocktail. Het is dan ook geen toeval dat gevoelens van somberheid, angst en uitzichtloosheid toenemen. Zelfdoding is het uiterste gevolg van een systeem dat structureel over de grenzen van jonge mensen heen gaat.

Wat nodig is, is een fundamentele koerswijziging. Minder fixatie op prestaties, meer aandacht voor welzijn. Betaalbare ontspanning en ontmoetingsplekken. Onderwijs dat ruimte laat voor ontwikkeling in plaats van constante selectie. Ouders die tijd en rust hebben om er te zijn. En een politiek die durft te erkennen dat mentale gezondheid geen individuele bijzaak is, maar een collectieve verantwoordelijkheid.

Bovenal moeten we jongeren weer het gevoel geven dat ze mogen bestaan zonder voortdurend te bewijzen dat ze waardevol zijn. Dat falen mag. Dat rust geen luxe is. Dat je niet alleen bent. Pas dan creëren we een samenleving die niet alleen werkt, maar ook zorg draagt..., voor elkaar en voor de generatie die na ons komt.

De digitale gezondheid

 Leven naar de digitale maatstaven

We leven in een tijd waarin cijfers belangrijker lijken dan gevoelens. Waarin een trillend horloge ons vertelt of we goed bezig zijn, en een app beslist of we vandaag nog een koekje “mogen”. De digitale wereld is niet langer een hulpmiddel; ze is uitgegroeid tot een maatstaf voor hoe wij zouden moeten leven.

Je ziet het overal. De hardloper die niet meer loopt op ademhaling of plezier, maar op data. Elke paar seconden een blik op de smartwatch: hartslag, tempo, zones. Niet luisteren naar het lichaam, maar naar de digitale coach om de pols. Alsof het lichaam zelf niet meer te vertrouwen is zonder grafiek of melding. Harder, sneller, efficiënter — want het scherm zegt dat het kan.

Hetzelfde gebeurt aan de keukentafel. We eten niet meer omdat we honger hebben, maar omdat de app aangeeft dat er nog calorieën “over” zijn. Suiker wordt niet vermeden uit gevoel, maar uit schuld: de rode balk is bereikt. Gezondheid is verworden tot een spreadsheet, en genieten voelt bijna als een overtreding. Zelfs rust moet tegenwoordig verdiend worden, liefst gemeten in herstelscores en slaapcycli.

En dan is er nog die constante geruststelling, of juist onrust, over ons hart. Apps die meten of het nog wel klopt, meldingen die ons waarschuwen bij elke afwijking. Natuurlijk is het waardevol dat technologie levens kan redden. Maar wanneer sloeg zorg om in controle? Wanneer werd leven iets dat voortdurend gemonitord moet worden?

Het probleem is niet de technologie zelf. Het probleem is dat we haar gezag hebben gegeven. We vertrouwen algoritmes meer dan ons eigen gevoel. We volgen doelen die iemand anders voor ons heeft ingesteld, vaak zonder ons af te vragen waarom. De digitale wereld bepaalt het tempo, de norm, het succes. En wij passen ons aan.

Wat gaat er verloren? Spontaniteit. Intuïtie. Het simpele vertrouwen in je eigen lichaam. Een wandeling zonder doel. Eten zonder rekenen. Sporten zonder delen. Leven zonder meten.

Misschien wordt het tijd om de rollen weer om te draaien. Laat technologie ondersteunen, niet sturen. Gebruik data als informatie, niet als oordeel. Kijk af en toe niet op dat scherm, maar om je heen of naar binnen. Want een goed leven laat zich niet volledig vangen in statistieken.

Soms klopt je hart ook prima zonder dat een app of smartwatch dat bevestigt. Want we gaan de kant uit dat het leven wordt aangedreven door digitalisering. En als dat uitvalt, dan hebben vele mensen een groot probleem. Ze moeten dan weer moeten vertrouwen op hun eigen lichaam en intuïtie. Maar hoe werkt dat ook alweer zonder je smartwatch en apps? Tja, die wetenschap is dan weg geraakt omdat het lichaam dat niet meer nodig had.


Afval: De industrie vervuild. De burger betaald.

De burger betaalt voor afval dat hij niet kan vermijden

We scheiden, recyclen en betalen braaf onze afvalstoffenheffing. Toch lijkt het dweilen met de kraan open. Onze containers puilen uit van plastic verpakkingen, terwijl supermarkten en producenten het ene na het andere product in meerdere lagen plastic stoppen. En wie draait er op voor de kosten van het opruimen, inzamelen en verwerken? Juist....., de burger.

We worden aangespoord om “bewust te consumeren” en “minder afval te maken”. Maar hoe doe je dat als bijna elk product, van komkommer tot koekje, al in plastic zit verpakt voordat het de schappen haalt? De consument heeft nauwelijks een keuze. In de supermarkt kun je de verpakking niet laten liggen. Je kunt de koekjes niet los meenemen, en de yoghurt niet in je eigen potje gieten.

De industrie wijst naar de consument: “Zij kopen het toch.” Maar dat is een vals argument. De consument koopt wat beschikbaar is. De echte keuzes worden gemaakt aan de productiekant, door fabrikanten en verpakkers die plastic gebruiken omdat het goedkoop, licht en houdbaar is. De maatschappelijke kosten, milieuvervuiling, afvalverwerking, microplastics, worden doorgeschoven naar de samenleving.

De overheid probeert met statiegeld en plasticheffingen iets te sturen, maar het systeem blijft krom zolang de verantwoordelijkheid niet eerlijk wordt verdeeld. Waarom wordt niet de vervuiler, de producent dus, structureel aangeslagen voor de afvalkosten? Waarom ligt de nadruk nog altijd op het gedrag van burgers, terwijl hun keuzeruimte zo klein is?

Als we echt naar een circulaire economie willen, moet de macht verschuiven: van de vuilnisbak van de burger naar de tekentafel van de producent. Dat betekent strengere regels voor verpakkingen, verplicht gebruik van herbruikbare of biologisch afbreekbare materialen, en transparantie over de milieu-impact van producten.

De burger wil best zijn steentje bijdragen, maar hij kan geen afvalvrij bestaan leiden zolang de industrie alles in plastic wikkelt. Pas als producenten verantwoordelijk worden voor het afval dat ze creëren, kunnen we eerlijk zeggen: wie vervuilt, betaalt.

Asielzoeker zijn in "tolerant" Nederland

Je zult maar een asielzoeker zijn

Je land is verscheurd door oorlog, je huis verwoest, je familie uit elkaar gerukt. Je hebt alles achtergelaten: je geboortegrond, je vrienden, je herinneringen. Wat resteert, is de hoop op veiligheid. De hoop op een plek waar je kinderen zonder angst kunnen slapen. En dan hoor je over Nederland dat het een land van vrijheid, tolerantie en mensenrechten is. Een land dat openstaat voor wie bescherming zoekt.

Maar eenmaal hier aangekomen, blijkt dat beeld een illusie. De woorden “vrijheid” en “tolerantie” zijn vervangen door wantrouwen en vijandigheid. Asielzoekers worden neergezet als profiteurs, als lastposten, als bedreiging. Mensen die alles zijn kwijtgeraakt, worden behandeld alsof ze zelf het probleem zijn. Ze voelen zich niet welkom, niet veilig...., zelfs niet in het land dat ze als hun redding zagen. En dat is wrang. Onmenselijk. En pijnlijk.

Stel dat de rollen omgedraaid waren. Stel dat er in Nederland oorlog uitbreekt waarbij alles en iedereen wordt vernietigd, en jij met je gezin niets anders kan dan vluchten naar België of Duitsland. Je klopt daar aan, uitgeput en bang, en je krijgt te horen: “Jullie zijn hier niet welkom. Jullie nemen onze huizen en banen af.” Hoe zou dat voelen? Zou je niet verlangen naar begrip, compassie, een beetje menselijkheid?

De oorzaak van dit alles ligt niet alleen bij de mensen die hun frustratie uiten, maar ook bij de politiek die die frustratie voedt. Politici zetten asielzoekers op de voorgrond in hun strijd om stemmen. Ze creëren een vals beeld van “voorrang” en “oneerlijkheid”, waardoor mensen tegenover elkaar komen te staan. De politiek zou moeten verbinden, maar kiest te vaak voor verdelen.

De woningnood, de zorgcrisis, het tekort aan betaalbare energie enzovoort..., dat zijn problemen die al jaren bestaan. Niet door asielzoekers, maar door falend beleid. En toch worden vluchtelingen telkens opnieuw aangewezen als zondebok. Zo ontstaat een tweedeling die niets oplost, maar alleen haat zaait.

We kunnen beter dan dit
Nederland heeft een geschiedenis van rechtvaardigheid, van openheid, van solidariteit. Laten we die waarden niet verkwanselen aan angst en wantrouwen.
Een asielzoeker is geen vijand, maar een mens. Een mens met een verhaal, met verdriet, met hoop. Als we dat niet meer kunnen zien, zijn we misschien zelf iets heel belangrijks kwijtgeraakt: onze menselijkheid.

Vegan "burger", "kipstukjes" of "gehakt" mag niet meer

Laat de burger met rust..., ook als hij van soja is

De politiek roept al jaren dat we minder vlees moeten eten. Dat is beter voor het klimaat, voor het dierenwelzijn en voor onze gezondheid. En zie: steeds meer Nederlanders luisteren. Ze kiezen voor vegetarische kipstukjes, plantaardig gehakt of een groenteburger. De supermarkten liggen er vol mee, en niemand die niet begrijpt dat het om vleesvervangers gaat. Totdat de overheid opeens via de NVWA (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) besluit dat die namen misleidend zouden zijn. Plots mag “vegetarische kipstukjes” misschien niet meer, omdat er geen kip in zit...... Serieus?

Iedereen die ooit een verpakking in handen heeft gehad, weet beter. Het woord “vegetarisch” of “vegan” staat er in koeienletters op. Niemand denkt dat er een echte kip doorheen is gegaan. De namen zijn juist handig..., ze helpen consumenten om snel te begrijpen waar het product op lijkt, hoe je het kunt gebruiken, en in welk gerecht het past. Noem het “gegaarde soja-eiwitstukjes” en niemand weet meer wat ermee te doen.

Het argument van misleiding slaat dus nergens op. Het doet denken aan een ouderwetse reflex om verandering tegen te houden. Want gek genoeg hoor je niemand klagen over vleesnamen die zelf misleidend zijn. In een slavink zit geen vink, in een frikandel geen enkel herkenbaar stuk dier, en een ossenstaartsoep komt zelden nog van een echte os. Daar hoor je niemand over.

Zou het toeval zijn dat de vleesindustrie een van de grootste sponsors en lobbygroepen is in deze sector? Dat precies op het moment dat hun verkoopcijfers beginnen te dalen, de overheid ineens streng gaat doen over woorden als “burger” en “gehakt”? De schijn van belangenverstrengeling is in elk geval niet ver te zoeken.

Het is tijd dat de overheid kiest voor consistent beleid. Als we als samenleving echt minder vlees willen eten, maak het mensen dan niet moeilijker om een alternatief te kiezen. Stop met dit soort symboolpolitiek en geef consumenten én producenten de vrijheid om duidelijk te communiceren.

Een vegetarische burger is geen bedreiging voor de vleeseter. Maar betuttelende regels die gezonde en duurzame keuzes moeilijker maken????..... Dát is pas misleiding.



---


Wil je dat ik het herschrijf in een andere toon (bijv. formeler voor een krant, of scherper voor een column in een opinieblad)?

Klimaatverandering onontkoombaar

Klimaatverandering: een natuurlijk proces dat wij slechts versnellen

Klimaatverandering is tegenwoordig een van de meest besproken onderwerpen ter wereld. Politici, wetenschappers en activisten waarschuwen voor een naderende ramp, terwijl maatregelen en belastingen worden opgetuigd om de opwarming van de aarde te stoppen. Maar kunnen we het klimaat eigenlijk wel “stoppen”? Of proberen we iets te beheersen dat veel groter is dan wijzelf?

De aarde verandert al miljarden jaren. Er zijn ijstijden geweest en periodes waarin het tropisch warm was, ook zonder menselijke invloed. Vulkanen, zonneactiviteit, veranderingen in de baan van de aarde..., al die natuurlijke factoren hebben altijd het klimaat bepaald. Lange tijd is het klimaat relatief stabiel geweest, maar dat is geen garantie voor eeuwige rust. De aarde is dynamisch, en haar klimaat beweegt voortdurend mee.

Dat betekent niet dat de mens geen invloed heeft. Onze uitstoot van broeikasgassen kan het tempo van verandering zeker versnellen. Steden warmen sneller op, ijskappen smelten sneller af, en extreme weersomstandigheden lijken vaker voor te komen. Maar dat is iets anders dan het idee dat wij het klimaat “kapotmaken”. De aarde heeft al talloze veranderingen doorstaan, van meteorietinslagen tot massale vulkaanuitbarstingen, en telkens heeft ze zich hersteld.

Het is dus belangrijk om realistisch te blijven. We kunnen verstandig omgaan met energie, verspilling tegengaan en nieuwe technologieën ontwikkelen, maar we moeten ook erkennen dat klimaatverandering niet volledig te stoppen is. De aarde verandert..., en zal dat altijd blijven doen. Misschien is het onze taak niet om het klimaat te beheersen, maar om ons eraan aan te passen en beter te leren leven met de natuurlijke processen van onze planeet.

Immigratie de oorzaak van het woningprobleem

De woningnood en de rol van immigratie. Tijd voor eerlijke cijfers en keuzes

De woningnood in Nederland is inmiddels een structureel probleem. Jongeren blijven langer bij hun ouders wonen, starters kunnen geen betaalbare koopwoning vinden, en de wachttijden voor een sociale huurwoning lopen op tot meer dan tien jaar in sommige regio’s. Politici beloven al jaren beterschap, maar de situatie blijft verslechteren. Een van de meest gevoelige onderdelen van deze discussie is de rol van immigratie.

Feit is: hoe meer mensen er in Nederland wonen, hoe groter de vraag naar woningen. Jaarlijks groeit de bevolking met zo’n 200.000 mensen, en een groot deel daarvan komt door immigratie..., zowel arbeidsmigratie, gezinshereniging, als asiel. Tegelijkertijd lukt het nauwelijks om voldoende huizen bij te bouwen: er worden zo’n 70.000 nieuwe woningen per jaar opgeleverd, terwijl er minstens 100.000 nodig zijn om het tekort in te lopen.

De rekensom is dus simpel: als de instroom van nieuwkomers fors toeneemt, stijgt de druk op de woningmarkt verder. Minder immigratie zou de woningdruk kunnen verlichten, al is dat slechts één van de factoren. Ook het ruimtelijke beleid, stikstofregels, en personeelstekorten in de bouw spelen een grote rol.

Wat veel Nederlanders steekt, is dat statushouders, vluchtelingen met een verblijfsvergunning, vaak voorrang krijgen bij het toewijzen van een woning. Dat is wettelijk zo geregeld: gemeenten moeten hen huisvesten. Voor mensen die al jaren op een wachtlijst staan, voelt dat oneerlijk. Het beleid is bedoeld om te zorgen dat erkende vluchtelingen niet op straat belanden, maar het creëert wél spanningen tussen bevolkingsgroepen.

Toch ontkennen sommige partijen het verband tussen immigratie en woningnood, uit angst om als ‘onmenselijk’ of ‘xenofoob’ te worden bestempeld. Dat helpt het debat niet verder. Nederland heeft behoefte aan een eerlijk gesprek over aantallen, gevolgen en keuzes. Het is mogelijk om humaan én realistisch beleid te voeren..., maar dat begint bij erkenning van de feiten.

Wie de woningnood wil oplossen, moet niet alleen bouwen, maar ook durven praten over bevolkingsgroei. Want zolang de instroom blijft toenemen, blijft de woningmarkt achter de feiten aanlopen.

God als bron van het kwaad?

Is God eigenlijk wat de Duivel wordt toegeschreven?

Door de eeuwen heen is God gepresenteerd als het toppunt van goedheid. De bron van liefde, rechtvaardigheid en orde. Maar als we de wereld om ons heen bekijken, en vooral de geschiedenis, dan rijst de verontrustende vraag: wat als God niet het goede vertegenwoordigt, maar juist het kwaad?

Miljoenen mensen zijn afgeslacht in Zijn naam. Oorlogen, kruistochten, inquisities, zelfmoordaanslagen..., telkens weer met hetzelfde excuus: het geloof, het goddelijke recht, het heilige woord. Dat kan geen toeval zijn. Dat komt ergens vandaan. En dat “ergens” ligt diep verankerd in de religieuze boeken die zogenaamd Gods wil openbaren.

In die geschriften wordt onderscheid gemaakt tussen gelovigen en ongelovigen, tussen rein en onrein, tussen wat mag en wat niet mag. Ze staan vol met vooroordelen en verboden: wie niet gelooft, hoort er niet bij. Wie geniet van het leven, van liefde, seks, vrijheid of onafhankelijk denken, wordt als zondig bestempeld. De mens wordt niet bevrijd door God, maar gevangen in schuld en angst.

En precies die angst is de voedingsbodem van het kwaad. Want wie bang is, is manipuleerbaar. Religie heeft dat eeuwenlang benut om macht te behouden. De belofte van de hemel en de dreiging van de hel zijn de stok en wortel van morele onderdrukking geworden. Als je je niet aan Gods woord houdt en onrein leeft, dan ga je naar de hel. Hou je je wel Gods woord, dan ga je naar de hemel. Het zijn allemaal dreigingen, vooroordelen en machtswellust wat er in die religieuze boeken staat vermeld, overgoten met een vleugje slijmerigheid en hypocrisie.

Maar misschien is God niet het kwaad zelf, maar is het de mens die zijn idee van God heeft gemaakt tot een spiegel van zijn eigen angsten, wraak en jaloezie. Maar als die spiegel ons beeld van het kwaad toont, dan is het eerlijk om te zeggen: de God die in veel heilige boeken wordt beschreven, is niet goed. Hij verdeelt, straft, verbiedt en eist gehoorzaamheid in plaats van begrip.

Het wordt tijd om dat te durven benoemen. Niet uit haat jegens gelovigen, maar uit liefde voor vrijheid en menselijkheid. Misschien moeten we stoppen met zoeken naar God buiten onszelf en leren dat het echte goede juist begint wanneer we ons bevrijden van het idee dat een hogere macht ons vertelt wat goed en kwaad is. Want al eeuwen weten we wat ons dat tot zelfs het heden heeft opgeleverd...., oorlog, verdriet, vernietiging, genocide en vele vele doden. En dat allemaal met "De wil van God" en met het geloofshandboek onder de arm. 


Discriminatie begint thuis

Discriminatie begint thuis, wat kinderen te horen krijgen

Kinderen worden niet geboren met vooroordelen. Ze zien geen kleur, afkomst of geaardheid..., ze zien mensen. Pas later, wanneer de wereld hen woorden en blikken leert, begint het onderscheid. En vaak begint dat al aan de keukentafel.

Discriminatie en uitsluiting zijn geen instincten. Ze zijn aangeleerd gedrag. Een peuter die speelt op het schoolplein maakt geen onderscheid tussen de jongen met een andere huidskleur of het meisje dat een hoofddoek draagt. Maar als datzelfde kind thuis hoort dat “die mensen” anders zijn, gevaarlijk, lui, of minder waard, dan verandert iets. De onschuldige blik waarmee het kind naar de wereld keek, wordt vertroebeld door woorden die het nog niet eens volledig begrijpt.

Kinderen zijn spiegels. Ze nemen het gedrag van hun ouders over..., niet alleen wat ze zeggen, maar vooral wat ze doen. Een grapje aan tafel, een denigrerende opmerking over iemand in het nieuws, een opgetrokken wenkbrauw bij een ontmoeting: het lijkt onschuldig, maar voor een kind is het lesmateriaal. Zo wordt de kiem gelegd van vooroordelen die later moeilijk nog te corrigeren zijn.

Scholen, overheden en maatschappelijke organisaties doen hun best om inclusie te bevorderen, en dat is belangrijk. Maar als thuis de basis niet goed is, blijft het dweilen met de kraan open. We kunnen wel campagnes voeren en lespakketten maken, maar als een kind thuis hoort dat “iedereen gelijk is, behalve…”, dan wordt die boodschap ondergraven.

Ouders dragen dus een enorme verantwoordelijkheid. Niet alleen om discriminatie niet aan te leren, maar ook om actief het tegenovergestelde te doen: diversiteit te omarmen, nieuwsgierigheid aan te moedigen, en empathie te tonen. Kinderen leren van wat ze zien, niet van wat ze horen. Een ouder die met respect praat over anderen, die openstaat voor verschillen, die zichzelf durft te corrigeren..., dát is opvoeding die verschil maakt.

Discriminatie begint thuis, maar daar kan het ook stoppen. Het vraagt bewustwording, eerlijkheid en soms ook het erkennen van eigen blinde vlekken. Want wie wil dat zijn kind in een wereld leeft waarin iedereen wordt gezien en gewaardeerd, moet beginnen met wat het kind leert aan de eettafel.

Fatsoen werkt niet meer in Nederland

Als de overheid zich onbehoorlijk gedraagt, wordt fatsoen zinloos

Er was een tijd dat fatsoen de lijm van de samenleving was. We gingen ervan uit dat beleefdheid, redelijkheid en vertrouwen de basis vormden van goed bestuur én goed burgerschap. Dat als burgers zich netjes opstelden, de overheid dat ook zou doen. Maar wat als die veronderstelling niet meer klopt?

Steeds vaker lijkt de verhouding tussen overheid en burger niet langer op een gesprek, maar op een bevel. Beleidsmaatregelen worden doorgedrukt zonder overleg, kritische vragen worden weggezet als “desinformatie”, en wie bezwaar maakt, krijgt niet zelden het stempel “lastig” of “verdacht”. Ondertussen groeit de bureaucratische greep: alles moet worden geregistreerd, gecontroleerd, gemonitord en geverifieerd.

Fatsoen werkt alleen als het van twee kanten komt.
Wanneer een overheid burgers behandelt als onbetrouwbare onderdanen, dan verdwijnt de morele plicht om altijd netjes te blijven vanzelf. Niet omdat mensen plots onbeschaafd zijn geworden, maar omdat fatsoen zijn betekenis verliest als het geen wederkerigheid kent.

De overheid vraagt vertrouwen, maar luistert niet. Ze vraagt openheid, maar verbergt zelf dossiers. Ze vraagt gehoorzaamheid, maar neemt zelden verantwoordelijkheid. En zo ontstaat er een kloof: burgers die zich niet langer vertegenwoordigd voelen, maar gecontroleerd. Niet langer gehoord, maar genegeerd.

Wie zich onmachtig voelt, grijpt niet zelden naar scherpere woorden of daden. Dat is geen vrijbrief voor agressie of haat, maar het is een signaal dat beleefd protest in een muur van doofheid verdwijnt. Waar dialoog niet meer mogelijk lijkt, verdwijnt het nut van beleefdheid.

In zo’n klimaat is het logisch dat mensen hun toon verliezen. Niet uit gebrek aan beschaving, maar uit wanhoop.

Echte fatsoenlijkheid begint niet bij keurige burgers die zwijgen, maar bij overheden die eerlijk, transparant en dienstbaar zijn. Zolang macht zich onbehoorlijk gedraagt, zal beleefdheid steeds minder betekenis hebben. Want wie niet luistert, dwingt stilte af...., en stilte is geen teken van respect, maar van vermoeidheid.

De zieke wereld

De Zieke Wereld: Hoe we onszelf verliezen in polarisatie en controle

We leven in een tijd waarin de mensheid meer verbonden is dan ooit tevoren, en toch ook meer verdeeld dan ooit tevoren. De wereld lijkt ziek te zijn, niet door een virus, maar door de manier waarop we met elkaar en met vrijheid omgaan. De symptomen zijn overal zichtbaar: polarisatie, oorlogen, discriminatie, bemoeizucht, religieuze intolerantie, gevaarlijke ideeën over ongelovigen en anders geaarden, privacy-schendingen en een groeiend web van controle dat zich om ons heen sluit. De persoonlijke vrijheid komt wereldwijd in het geding. Zelfs in Nederland is vrijheid drastisch verminderd door meer controles, verplichtingen en verboden... 

De polarisatie als zelfgekozen gevangenis
Het lijkt alsof iedereen tegenwoordig moet kiezen: links of rechts, voor of tegen, wij of zij. De nuance is verdwenen. Wie een afwijkende mening heeft, wordt niet meer gehoord, maar aangevallen. Sociale media, ooit bedoeld om mensen te verbinden, zijn verworden tot digitale slagvelden waar meningen botsen en empathie sterft. We discussiëren niet meer om te begrijpen, maar om te winnen. En zo verliest iedereen.

Oorlog als normaal verschijnsel
In plaats van lessen te trekken uit het verleden, herhalen we dezelfde fouten. Oorlog is weer een dagelijkse realiteit, alsof het onvermijdelijk is dat mensen elkaar blijven vernietigen om macht, geloof of grond. De beelden van verwoeste steden en vluchtende gezinnen zouden ons moeten verenigen in verdriet, maar zelfs daarover raken we verdeeld, omdat elke partij zijn eigen “waarheid” claimt.

Discriminatie in een nieuw jasje
We dachten dat de wereld vooruitging, dat we leerden van eeuwen van ongelijkheid. Maar discriminatie leeft voort..., subtieler, slimmer, en vaak verpakt als bescherming van “eigen waarden”. Mensen worden nog steeds beoordeeld, of soms zelfs veroordeeld, op afkomst, geloof, geaardheid of mening. In plaats van een wereld die ruimte biedt aan verschil, bouwen we muren van angst en vooroordelen.

De bemoeizuchtige mens
De moderne mens kan het niet laten om zich met anderen te bemoeien. We hebben een mening over alles: wat iemand zegt, draagt, eet of denkt. Tegelijkertijd verdwijnt de bescheidenheid, het vermogen om gewoon te luisteren zonder te oordelen. Iedereen wil gelijk hebben, niemand wil begrijpen. De wereld lijkt een podium geworden voor morele superioriteit, waar begrip is ingeruild voor veroordeling.

Privacy: een luxe die we verloren zijn
Wat ooit privé was, is nu publiek bezit. Overheden, bedrijven en zelfs buren weten meer van ons dan we zelf beseffen. Elke klik, elke beweging, elk woord wordt gevolgd, opgeslagen en geanalyseerd. Onder het mom van veiligheid en gemak geven we vrijwillig onze vrijheid op. We worden gecontroleerd, geprofileerd en gestuurd, alsof vrijheid iets is wat we alleen nog mogen lenen — zolang we ons “netjes” gedragen.

Vrijheid aan het infuus
De vrijheid waar generaties voor gevochten hebben, wordt stukje bij beetje uitgehold. Wat begon als tijdelijke maatregelen of noodzakelijke regels, is langzaam een permanente structuur van controle geworden. Van wat we mogen zeggen tot wat we mogen geloven..., alles wordt afgewogen, gereguleerd en gemonitord. De ironie is dat dit alles vaak wordt verkocht als vooruitgang, als bescherming van het collectief. Maar bescherming zonder vrijheid is slechts een vorm van gevangenschap.

De vraag die overblijft
De wereld is ziek, maar de ziekte is niet ongeneeslijk. De oorzaak ligt in onszelf: in angst, in onbegrip, in het verlangen om te beheersen in plaats van te verbinden. De genezing begint pas wanneer we weer durven luisteren, wanneer we weer durven geloven dat verschillen ons niet bedreigen maar verrijken.

De mensheid heeft technologieën ontwikkeld die wonderen kunnen verrichten..., maar als we niet leren om met onszelf om te gaan, zullen we ten onder gaan aan onze eigen beschaving.

Misschien is het tijd om niet langer te wijzen naar “de ander”, maar om in de spiegel te kijken. Want de echte oorlog, de echte controle, en de echte vrijheid… beginnen daar.

De hoofddoek: een maatschappelijk probleem?

De hoofddoek: van modeaccessoire tot moreel mijnenveld

Er was een tijd, nog niet zo lang geleden, dat de hoofddoek in onze straten niets bijzonders was. Kijk maar naar foto’s uit de jaren 60 en 70: vrouwen droegen sjaaltjes (hoofddoekjes) om hun haar te beschermen tegen de wind, de regen of simpelweg omdat het elegant stond. Van Grace Kelly tot onze eigen grootmoeders, de hoofddoek was een teken van stijl, niet van strijd.

Toch is datzelfde stuk stof vandaag een symbool geworden dat heftige emoties oproept. Een vrouw die haar haar bedekt om religieuze redenen, wordt al te vaak gezien als onderdrukt, wereldvreemd of zelfs provocerend. Het debat over de hoofddoek is intussen zó verhard dat het zelden nog over vrouwen zelf gaat, maar eerder over wat anderen in dat gebaar willen lezen.

En daar wringt precies het schoentje. Een hoofddoek dragen is geen probleem, het probleem ontstaat wanneer we anderen willen voorschrijven wat zij op hun hoofd moeten dragen. De discussie zou niet moeten gaan over de stof, maar over de vrijheid die eronder schuilgaat.

Zolang een vrouw zélf kiest om wel of geen hoofddoek te dragen, hoort niemand zich daar mee te bemoeien. Vrijheid betekent ook de vrijheid om keuzes te maken die niet iedereen begrijpt of deelt. De echte discussie wordt pas zinvol wanneer dwang in het spel is: wanneer vrouwen verplicht worden hun hoofd te bedekken, of net verplicht worden het níét te doen. In beide gevallen wordt autonomie ingeruild voor controle, en dat zou in een vrije samenleving onaanvaardbaar moeten zijn.

De hoofddoek is niet het probleem, maar onze drang om over andermans keuzes te oordelen is wel een probleem.

Stroomnet probleem: De rekening is voor de burger

Stroomnet problemen: De rekening ligt weer bij de burger, niet bij de grootverbruikers

We horen het steeds vaker: het stroomnet kan het niet meer aan. Er is te veel vraag, te weinig capaciteit, te veel pieken. En dus moet er iets gebeuren, zegt de politiek. Hun nieuwste vondst? Vier tijdsperiodes met verschillende elektriciteitsprijzen. Overdag duur, ’s nachts goedkoper, met daar tussenin een woud aan tarieven waar de gemiddelde consument pogingen tot begrip al na drie zinnen staakt.

Het idee klinkt op papier redelijk: wie zijn verbruik slim spreidt, wordt beloond. Maar in de praktijk komt het neer op één simpele waarheid: de gewone burger draait opnieuw voor de problemen op die elders zijn veroorzaakt.

Want laten we eerlijk zijn, het zijn niet de gezinnen die het net overbelasten. Het zijn de grootverbruikers: datacenters, industriereuzen, bedrijven die dag en nacht megawatt na megawatt verslinden. Zij blijven grotendeels buiten schot. Hun belangen zijn te groot, hun lobby te luid. Terwijl jij en ik onze wasmachine ’s nachts moeten laten draaien om de energierekening enigszins draaglijk te houden, blijven de fabrieken vrolijk doordraaien.

De overheid zegt: we moeten de pieken afvlakken. Maar waarom begint men niet bij de grootste piekveroorzakers? Waarom moeten gezinnen met een bescheiden verbruik hun gedrag aanpassen, terwijl bedrijven die jaarlijks evenveel energie verbruiken als een kleine stad nauwelijks worden aangeraakt?

We staan aan de vooravond van een nieuwe ongelijkheid: die tussen wie zich kan aanpassen, en wie niet. Niet iedereen kan zijn leven organiseren rond stroomprijzen. Niet elk gezin kan de vaatwasser om 3 uur ’s nachts aanzetten. Niet iedereen heeft zonnepanelen of een slimme meter.

De transitie naar een duurzaam energiesysteem is broodnodig, daarover is geen twijfel. Maar rechtvaardigheid mag daarbij geen bijzaak zijn. Als het net echt kraakt, laat dan ook de grootverbruikers hun eerlijke deel dragen. Anders verandert de energietransitie in wat ze nooit had mogen worden: een dure straf voor de kleine verbruiker, terwijl de grote jongens de meter vrolijk laten doortikken.

Agressie tegen Hulpverleners

Laat onze hulpverleners met rust

Het is een onbegrijpelijk en diep triest fenomeen: hulpverleners die belaagd worden terwijl ze hun werk doen. Mensen die levens redden, veiligheid waarborgen en de samenleving draaiende houden, worden steeds vaker geconfronteerd met agressie, intimidatie en zelfs fysiek geweld. Soms gebeurt dat nota bene terwijl ze bezig zijn een reanimatie uit te voeren..., een situatie waarin iedere seconde telt. Het is te achterlijk voor woorden.

Wie zijn die mensen die dit doen? Vaak gaat het om individuen die hun frustratie, woede of onvermogen afreageren op de eerste persoon in uniform die ze tegenkomen. Misschien is er sprake van drank of drugs, misschien van onbegrip, misschien van pure baldadigheid. Maar de kern blijft: het is volstrekt onacceptabel. Hulpverleners zijn er niet om iemands persoonlijke woede te kanaliseren. Ze zijn er om levens te redden en om ons allemaal, ook de belagers zelf, te beschermen.

Dat maakt deze trend des te schrijnender. Want welk redelijk mens kan ertegen zijn dat iemand medische hulp krijgt? Wie kan het goedpraten dat brandweerlieden worden bekogeld terwijl ze een brand blussen? Wie kan verdedigen dat agenten thuis worden lastiggevallen door groepen die vinden dat ze hun frustratie ook nog na werktijd moeten ventileren?

De samenleving kan en mag dit nooit normaal vinden. Hulpverleners horen niet alleen beschermd te worden door wet- en regelgeving, maar vooral ook gedragen te worden door ons collectieve respect en dankbaarheid. Elke aanval op een hulpverlener is een aanval op ons allemaal, want het ondermijnt de basis van een veilige samenleving.

Daarom is er geen ruimte voor nuance of begrip richting de belagers. Er is alleen ruimte voor duidelijke grenzen: dit gedrag is ontoelaatbaar. Punt. Wie hulpverleners belaagt, belaagt ons gemeenschappelijk fundament. En daar moet een harde, onwrikbare grens worden getrokken.

Het minste dat we kunnen doen, is laten horen dat we achter onze hulpverleners staan. Zij verdienen respect, steun en bescherming......, altijd en overal.

De woede op AZC's

De woede over AZC’s laat zien dat er iets dieper mis is

Steeds vaker zien we demonstraties tegen de komst van asielzoekerscentra (azc’s). Mensen trekken de straat op, hangen spandoeken aan hekken of laten in raadszalen luid hun ongenoegen horen. Ze willen geen azc in hun buurt. De argumenten zijn vaak dezelfde: zorgen over veiligheid, overlast, oneerlijke behandeling en een politiek die niet meer luistert. Soms kan de frustratie zo hoog oplopen dat geweld en vernielingen plaats vinden. En dat is natuurlijk niet de bedoeling. Bovendien los je er helemaal niets mee op en schep frustraties bij mensen die er helemaal niets mee hebben te maken.

Maar die boosheid komt niet uit het niets. Veel mensen maken zich zorgen over hun leefomgeving en voelen zich in de steek gelaten door Den Haag. Ze horen verhalen over incidenten met asielzoekers, over diefstal, geweld of seksueel grensoverschrijdend gedrag, en vrezen dat hun eigen buurt onveilig wordt. Ouders willen hun kinderen met een gerust hart buiten laten spelen, zonder angst voor wat er kan gebeuren. Hoewel de meeste asielzoekers zich wél aan de regels houden, blijven de negatieve verhalen hangen, versterkt door sociale media en een groeiend wantrouwen richting de overheid.

Daarnaast speelt er een ander, minstens zo groot probleem: het gevoel van oneerlijkheid. Terwijl steeds meer Nederlanders moeite hebben om een betaalbare woning te vinden of afhankelijk zijn van een voedselbank, zien ze dat asielzoekers vaak sneller onderdak en financiële steun krijgen. Of dat nu feitelijk altijd zo is of niet, het gevoel dat “de eigen mensen” achteraan moeten sluiten, doet veel met het vertrouwen in de politiek.

Daar komt bij dat besluiten over azc’s vaak worden genomen zonder dat omwonenden zich echt gehoord voelen. Lokale inspraak lijkt soms een formaliteit, terwijl de overheid de opvangplekken tóch aanwijst. Dat voedt het idee dat de democratie slechts op papier bestaat en dat Den Haag vooral voor zichzelf beslist.

Toch is het te eenvoudig om alle boosheid te richten op asielzoekers zelf. De echte oorzaak ligt dieper: in jarenlang falend beleid op het gebied van woningbouw, integratie en communicatie. Wanneer mensen zich in de steek gelaten voelen, zoeken ze een tastbare schuldige..., en dat wordt dan vaak de nieuwkomer. De politiek heeft die kloof tussen beleid en burger zelf laten ontstaan door beloftes niet na te komen en zorgen niet serieus te nemen.

De demonstraties bij azc’s zijn dus meer dan protesten tegen asielzoekers: ze zijn een signaal van maatschappelijke onvrede. Een waarschuwing dat er iets fundamenteel misgaat in het vertrouwen tussen burgers en bestuur. Als dat vertrouwen niet snel wordt hersteld, zal het niet alleen de opvang van vluchtelingen onder druk zetten, maar ook de samenhang in onze samenleving als geheel. 

Incassobureaus: Gerund door nietsontziende premiejagers

Incassobureaus: wanneer winst boven menselijkheid gaat

Er is een groeiende groep mensen in Nederland die niet in de schulden belandt door onwil of onverantwoordelijkheid, maar simpelweg door pech, ziekte, ontslag of stijgende kosten waar geen mens tegenop kan. En juist deze kwetsbare groep komt vaak in aanraking met een van de kille gezichten van ons financiële systeem: het incassobureau.

Wat ooit bedoeld was als een noodzakelijk middel om openstaande rekeningen te innen, is in veel gevallen verworden tot een industrie van angst, druk en uitbuiting. Mensen die al geen geld hebben, worden geconfronteerd met torenhoge aanmaningskosten, rente en administratiekosten die zich als een sneeuwbal opstapelen. Een gemiste betaling van honderd euro kan binnen enkele maanden uitgroeien tot een bedrag dat drie of vier keer zo hoog is..., niet omdat er iets geleverd wordt, maar omdat men er winst uit wil slaan.

De medewerkers van zulke bureaus tonen zelden begrip. Ze spreken in standaardzinnen, zonder empathie, zonder oog voor de menselijke kant van het verhaal. Ze dreigen, intimideren en verschuilen zich achter ‘het systeem’. Hun werk is koud en onpersoonlijk, gedreven door targets en commissies, niet door rechtvaardigheid of medemenselijkheid. De ironie is dat zij die zogenaamd voor orde en betaling zorgen, maar in werkelijkheid zijn het mensen die psychisch niet goed in elkaar zitten omdat ze vergeten zijn wat menselijkheid betekent. Erger nog: Deze mensen accepteren een salaris om hun medemensen aan de verdoemenis te helpen. Een soort van premiejagers die nietsontziend mensen met de grond gelijk maken en 's avonds rustig gaan slapen alsof het de normaalste zaak is om mensen kapot te maken. En dat is een zeer kwalijke ontwikkeling.

Wie zonder geweten geld probeert te innen van mensen die niets meer hebben, begeeft zich op het randje van misdadig gedrag. Zulke praktijken zouden niet beloond, maar juist gecorrigeerd moeten worden. Misschien zouden sommige incassomedewerkers beter af zijn onder begeleiding van de reclassering, niet vanwege hun financiën, maar om iets te leren over begrip, respect en menselijkheid.

Het incassosysteem, zoals het nu functioneert, werkt niet als een rechtvaardig vangnet, maar als een valkuil. Zolang winst belangrijker blijft dan de mens achter de schuld, zullen we mensen blijven verpletteren die juist hulp nodig hebben.

Het is tijd om opnieuw te kijken naar hoe we met schulden omgaan. Niet met spreadsheets, maar met hart en geweten. Want een samenleving die mensen straft omdat ze arm zijn, verliest uiteindelijk haar eigen beschaving.

Altijd maar "bezig" zijn

De Nederlandse Ziekte: Altijd Maar Bezig Zijn

Er is iets merkwaardigs aan de hand in Nederland. We leven in een land dat prat gaat op efficiëntie, arbeidsethos en prestatiegerichtheid, en tegelijkertijd massaal lijdt aan stress, burn-outs en een groeiend gevoel van leegte. De paradox is schrijnend: we zijn drukker dan ooit, maar lijken steeds minder echt te leven.

De Nederlandse samenleving is de afgelopen decennia ingericht rondom het idee dat bezig zijn goed is. Stilstand voelt verdacht, rust is verdacht, nietsdoen is bijna een zonde. Zodra er even geen werk, zorgtaak of sociale verplichting is, ontstaat bij velen een ongemakkelijk gevoel. “Ik zou eigenlijk iets moeten doen,” hoor je mensen zeggen, alsof rust een gebrek aan discipline verraadt.

Dat is geen toeval, maar een gevolg van een politiek en economisch systeem dat het “altijd aanstaan” beloont. De tweeverdienersnorm is inmiddels zo diep verankerd dat één inkomen nauwelijks nog voldoende is om een huishouden draaiende te houden. De overheid moedigt werken aan, werkgevers prijzen inzet boven welzijn, en zelfs scholen bereiden kinderen al vroeg voor op een leven waarin presteren centraal staat. Wie niet meedraait, voelt zich al snel tekortschieten.

De prijs die we daarvoor betalen, is hoog. Burn-outklachten en overspannenheid zijn inmiddels zo gewoon geworden dat ze bijna als onvermijdelijk worden gezien..., een soort moderne beroepsziekte. Psychologen draaien overuren, maar de fundamentele vraag wordt zelden gesteld: waarom accepteren we dat een leven vol stress en haast de norm is geworden?

En terwijl volwassenen zich uitputten in de ratrace, groeit een generatie kinderen op zonder voldoende aandacht, rust of grenzen. De opvoeding raakt ondergesneeuwd tussen vergaderingen, deadlines en ploegendiensten. Het gevolg is zichtbaar: jongeren met concentratieproblemen, emotionele onrust en een groeiend gevoel van richtingloosheid. Wanneer ouders continu opgebrand zijn, wie leert kinderen dan nog hoe het is om te ontspannen, om stil te staan bij jezelf?

De politiek draagt hierin een grote verantwoordelijkheid. In plaats van een samenleving te bouwen waarin welzijn centraal staat, blijft de nadruk liggen op economische groei en arbeidsparticipatie. We worden aangespoord om meer te werken, langer te werken, productiever te zijn, alsof menselijk geluk meetbaar is in werkuren en belastingopbrengsten.

Maar misschien is het tijd voor een radicaal andere koers. Eentje waarin rust geen luxe is, maar een recht. Waarin het niet verdacht is om even niets te doen. Waarin kinderen weer ouders zien die tijd hebben..., niet alleen voor hun werk, maar voor elkaar.

De grootste stap vooruit die Nederland kan zetten, is misschien wel leren stilstaan.

De schijnheiligheid van het verbod op drugs

De overheid verbiedt drugs, maar niet de echte oorzaken van het gebruik

De overheid zegt ons te willen beschermen. Beschermen tegen de gevaren van drugs, tegen verslaving, tegen schade aan lichaam en geest. Het klinkt nobel. Maar wie beter kijkt, ziet dat dit beleid selectief en paradoxaal is. Want terwijl drugsgebruik verboden blijft “om gezondheidsredenen”, blijven andere vormen van zelfdestructie volledig legaal, en soms zelfs aangemoedigd.

We leven in een samenleving waarin steeds meer van ons wordt gevraagd. Jongeren worden opgejaagd door prestatiedruk, sociale verwachtingen en een toekomst die onzekerder is dan ooit. Volwassenen ploeteren onder werkstress, financiële zorgen en een voortdurende drang om productief te zijn. Dat velen verlangen naar een manier om hun hoofd even uit te zetten, is allesbehalve vreemd. In zo’n context is het gebruik van middelen, of dat nu alcohol, tabak of drugs zijn, vaak geen “vrije keuze”, maar een reactie op de druk die de maatschappij uitoefent.

Toch wijst de overheid met de vinger naar drugs. Cannabis, xtc, cocaïne en andere middelen worden verboden en zwaar bestraft, met als argument dat ze schadelijk zijn voor onze gezondheid. Maar waarom geldt datzelfde argument niet voor alcohol, dat jaarlijks duizenden slachtoffers maakt? Waarom wordt tabak, ondanks zijn dodelijke reputatie, slechts ontmoedigd maar niet verboden? En waarom zijn werkstress, burn-outs en financiële problemen, allemaal bewezen risicofactoren voor vroegtijdige sterfte, geen prioriteit in dit “beschermingsbeleid”?

Het antwoord is ongemakkelijk. De grens tussen wat legaal en illegaal is, lijkt niet te worden bepaald door gezondheid, maar door economische belangen en culturele gewoontes. Alcohol en tabak zijn historisch ingebed, leveren belastinggeld op en zijn sociaal geaccepteerd. Hard werken, zelfs tot je erbij neervalt, wordt gezien als een deugd die de economie draaiende houdt. Drugs daarentegen zijn tot zondebok gemaakt: hét symbool van ontsporing en zelfdestructie, terwijl de echte oorzaken van die destructie vaak dieper liggen in ons systeem van prestatiedwang en ongelijkheid.

Het verbod op drugs maskeert zo een bredere waarheid: de overheid kiest ervoor om symptomen te bestrijden, maar laat de oorzaken ongemoeid. Zolang stress, prestatiedruk en armoede structureel blijven bestaan, zal de behoefte om te vluchten, of dat nu met alcohol, drugs of andere verdovingen gebeurt, ook blijven bestaan.

In Nederland is er recent goed gedocumenteerd hoe sterfgevallen zich verhouden tussen roken, alcohol, drugs en werk (werk gerelateerde sterfte). Hieronder een vergelijking:

Aantal sterfgevallen per jaar (Nederland)

Roken
19.420 mensen overleden in 2023 aan ziekten veroorzaakt door roken; daarnaast 1.050 aan meeroken. 

Werk /werk gerelateerde sterfte
Ongeveer 4.100 mensen in 2023. Dit is inclusief zowel werkzame beroepsbevolking als gepensioneerden, en betreft overlijdens door werkgebonden aandoeningen (zoals kanker, hart- en vaatziekten, aandoeningen van de luchtwegen) veroorzaakt door arbeidsfactoren. 

Alcohol
2.720 sterfgevallen in 2023 vanwege alcoholgebruik (zowel directe als indirecte oorzaken meegerekend) volgens het RIVM. 

Drugs
In 2023 overleden naar schatting 338 mensen van 15 jaar en ouder door het gebruik van drugs (directe sterfte). 

Conclusie: Welke oorzaak leidt tot de meeste sterfgevallen?

Op basis van de Nederlandse data:
1. Roken leidt tot veruit de meeste sterfgevallen van de vier genoemd oorzaken. 
2. Werk gerelateerde sterfte (4.100), maar dit ligt ver onder de sterfte als gevolg van roken.
3. Alcohol staat op de derde plaats, met 2.720 sterfgevallen.
4. Drugs veroorzaken relatief weinig doden in vergelijking met de andere drie (338).

Belangrijke data over ziektes/ziektelast

Roken/tabak
Ongeveer 672.000 mensen in NL hebben een chronische ziekte als gevolg van roken (COPD, kanker, hart- en vaatziekten). Roken is goed voor 7,6% van de totale ziektelast in Nederland. 

Werk/werk gerelateerde ziekten
Werk gebonden risico’s zorgen voor ongeveer 4,6% van de totale ziektelast in Nederland. Jaarlijks zijn er duizenden meldingen van beroepsziekten (psychisch en lichamelijke klachten) en veel verzuim. 

Alcohol
Alcoholgebruik draagt minder fors bij: in de VTV-2018 werd alcohol overmatig gebruik verantwoordelijk geacht voor 1,5% van de totale ziektelast. Het verhoogt de kans op vooral leverziekten, bepaalde vormen van kanker, hart- en vaatziekten, beroertes. 

Drugs
Minder duidelijke cijfers voor chronische ziekten veroorzaakt door drugs (illegale middelen). Drugsgebruik kan leiden tot overdose, infectieziekten, schade aan organen, etc., maar de totale ziektelast is veel kleiner dan van roken of werk gerelateerde ziekten. Er is wel toenemende druk op verslavingszorg: alcohol en cannabis meest voorkomend. 

Conclusie
Roken is de grootste veroorzaker van ziekte in Nederland van de vier: het veroorzaakt veruit de meeste chronische aandoeningen, en draagt aanzienlijk bij aan de ziektelast.
Daarna komt werk/beroepsziekten, vooral door lichamelijke belasting, blootstelling aan schadelijke stoffen en psychische arbeidsbelasting.
Alcohol draagt ook bij, maar op veel kleinere schaal.
Drugs veroorzaken relatief weinig ziektes in vergelijking, vooral als je de totale populatie bekijkt.

Wie écht mensen wil beschermen, zou dus niet alleen moeten kijken naar wat er in hun glas of sigarettenpapier zit, maar naar de wereld waarin zij leven. Misschien moet de overheid minder energie steken in het straffen van gebruikers, en meer in het creëren van een samenleving waarin mensen überhaupt minder de behoefte voelen om er even tussenuit te vluchten.

DNA manipulatie

Het ontwerp van de mens: droom of nachtmerrie?

Stel je een wereld voor waarin we de menselijke genen zó kunnen kneden dat agressie, machtswellust en gewelddadige impulsen simpelweg niet meer bestaan. Waar kinderen vanaf hun geboorte zijn geprogrammeerd om nieuwsgierig, empathisch en vreedzaam te zijn. Het klinkt als een utopie: geen oorlog, geen onderdrukking, geen criminaliteit. De ultieme verwerkelijking van de droom van een geweldloze samenleving.

Toch schuilt er in dit toekomstbeeld meer spanning dan op het eerste gezicht lijkt. Want wat betekent het eigenlijk als wij, met een reeks laboratoriumkeuzes, bepalen wat "de ideale mens" is?

De verleiding van genetisch perfectionisme
De wens om een betere mens te creëren is begrijpelijk. Onze geschiedenis is getekend door geweld, oorlog en machtsmisbruik. Als we via genetische manipulatie de wortels van die donkere eigenschappen zouden kunnen wegknippen, waarom zouden we dat dan niet doen? Het lijkt de ultieme vooruitgang: technologie die niet alleen ziektes bestrijdt, maar ook morele zwaktes oplost.

Maar met diezelfde logica duiken er nieuwe vragen op. Wie bepaalt welke eigenschappen wenselijk zijn? Vandaag dromen we van minder agressie, morgen misschien van meer gehoorzaamheid of productiviteit. De grens tussen bevrijding en onderdrukking kan gevaarlijk dun worden.

De onvoorspelbaarheid van verandering
Een samenleving zonder agressie klinkt mooi, maar menselijk gedrag is een complex ecosysteem. Agressie is niet alleen destructief: het kan ook de bron zijn van zelfbescherming, rechtvaardigheidsgevoel en daadkracht. Nieuwsgierigheid kan leiden tot ontdekkingen, maar ook tot gevaarlijk experimenteren. Machtsdrang kan misbruikt worden, maar kan ook de motor zijn achter leiderschap en sociale organisatie.

Door eigenschappen genetisch te verwijderen of te verzwakken, weten we niet welke onverwachte gaten we slaan in de menselijke natuur. Evolutie heeft miljoenen jaren nodig gehad om ons te vormen; het idee dat wij in enkele generaties die balans kunnen verbeteren, getuigt van groot optimisme, of misschien van hybris.

Een nieuwe moraal nodig
Als we werkelijk een genetisch geweldloze mens zouden creëren, verandert niet alleen het individu maar ook de structuur van de samenleving. Hoe ziet rechtspraak eruit in een wereld zonder misdadigers? Wat betekent democratie als er geen machtsstrijd meer bestaat? En verliezen we misschien een deel van onze creativiteit en vitaliteit wanneer de ruwe kanten van de mens worden gladgestreken?

De discussie over genetische manipulatie is dus niet louter biologisch of technisch, maar vooral moreel en filosofisch. Het gaat niet om de vraag of we het kunnen, maar om de vraag of we het zouden moeten willen.

Vooruitzicht
Misschien is de toekomst er een waarin genetische keuzes net zo vanzelfsprekend zijn als vaccinaties nu. Misschien ook ontdekken we dat het temmen van de menselijke natuur ons meer kost dan het ons oplevert. Wat zeker is: de mens zal zichzelf opnieuw moeten uitvinden, niet alleen in het laboratorium, maar vooral in de manier waarop we nadenken over vrijheid, verantwoordelijkheid en de waarde van onze onvolmaaktheid.

Een geweldloze samenleving klinkt als een paradijs. Maar misschien is het juist de strijd met onze donkere kanten die ons menselijk maakt.

De illusie van de Koopkracht stijging

De loonsverhoging als rookgordijn voor hoge prijzen

De politiek spreekt er graag vol trots over: de inkomens zijn gestegen. Ministers en Kamerleden benadrukken keer op keer dat Nederlanders er de laatste jaren “in koopkracht” op vooruit zijn gegaan. Maar wie in de supermarkt een pak pasta afrekent of de energierekening opent, weet dat dit verhaal niet klopt. Ja, de lonen zijn gestegen – maar die verhoging verdwijnt als sneeuw voor de zon tegenover de explosie van prijzen op vrijwel alle andere fronten.

Neem de boodschappen. Een mandje vol basisproducten kost vandaag de dag aanzienlijk meer dan een paar jaar geleden. Waar het eerst vooral de energieprijzen waren die door het dak gingen, zien we nu dat inflatie breed is doorgedrongen. Van brood tot groente, van kaas tot wasmiddel..., alles is duurder geworden. Een loonsverhoging van een paar procent per jaar weegt simpelweg niet op tegen prijsstijgingen die soms in de dubbele cijfers liggen.

Daarbovenop komen de belastingen en accijnzen. De overheid zegt dat zij de burger “ontziet”, maar ondertussen worden brandstof, alcohol en zelfs boodschappen indirect steeds zwaarder belast. Het zijn kosten die je niet kunt vermijden. Je moet wonen, je moet je huis verwarmen, je moet eten. En op al die basisbehoeften wordt stevig verdiend door zowel bedrijven als de staat.

Het argument dat “de lonen ook zijn gestegen” is daarom misleidend. Want wat heeft een loonsverhoging nog voor waarde als je energierekening met honderden euro’s per jaar stijgt? Als je gemeentelijke belastingen elk jaar omhoog gaan? Als je voor een volle boodschappentas ineens het dubbele betaalt? Dan blijft er geen vooruitgang over, maar slechts stilstand of zelfs achteruitgang.

De werkelijkheid is dat veel Nederlanders minder te besteden hebben, ondanks een hoger salaris. De loonsverhogingen zijn niets meer dan een rookgordijn waarachter de politiek de échte problemen probeert te verbergen: structureel hoge belastingen, doorgeschoten accijnzen en bedrijven die prijsstijgingen sneller doorberekenen dan ooit.

Het wordt tijd dat Den Haag ophoudt met juichen over loonsverhogingen en in plaats daarvan eerlijk erkent dat de koopkracht van de Nederlander onder druk staat. Want zolang de prijzen blijven stijgen en de overheid blijft meeliften via belastingen en accijnzen, is iedere loonsverhoging slechts een illusie van vooruitgang.

Ongelijkheid tussen man en vrouw

Ongelijkheid tussen man en vrouw: waarom religie nog steeds achterloopt

Wanneer we kijken naar de vooruitgang die de wereld heeft geboekt op het gebied van gelijke rechten, valt één ding schrijnend op: religie loopt mijlenver achter. Terwijl wetenschap, politiek en maatschappelijke bewegingen de afgelopen honderd jaar enorme stappen hebben gezet richting gelijkheid tussen man en vrouw, blijven veel religieuze tradities hangen in een wereldbeeld dat eerder 1000 jaar achter ons lijkt te liggen dan passend bij het heden. Zelfs in het bedrijfsleven zien we de resten van die ongelijkheid nog steeds terug in de vorm van financiële ongelijkheid. Vrouwen verdienen over het algemeen nog steeds minder dan mannen voor hetzelfde werk. En dat is ronduit absurd.

In vrijwel alle grote religies is de ongelijkheid diep ingebakken. Vrouwen mogen in veel stromingen nog steeds geen religieuze leiderschapsposities innemen. Hun rol wordt beperkt tot gehoorzaamheid, kuisheid en dienstbaarheid, terwijl mannen vanzelfsprekend worden gezien als gezagdragers en beslissers. In sommige tradities worden vrouwen letterlijk achterin de gebedsruimte gezet, gescheiden van mannen alsof hun aanwezigheid afbreuk zou doen aan het heilige. Dat beeld is niet alleen achterhaald, het is bijna belachelijk wanneer we het plaatsen naast de waarden die de moderne samenleving probeert te verdedigen.

Wat extra wrang is: religies claimen vaak moreel kompas te zijn, een bron van rechtvaardigheid en medemenselijkheid. Hoe kan die rechtvaardigheid echter geloofwaardig zijn, zolang de helft van de mensheid structureel minderwaardig wordt behandeld? Een geloof dat vrouwen tot tweederangs burgers maakt, ontneemt zichzelf morele legitimiteit.

De gevolgen van deze ongelijkheid zijn niet slechts symbolisch. In samenlevingen waar religieuze regels het publieke leven domineren, zien we dat vrouwenrechten systematisch worden ingeperkt: geen vrijheid om hun kleding te kiezen, geen gelijke toegang tot onderwijs of arbeid, en in extreme gevallen zelfs geen recht om zich zelfstandig in het publieke leven te begeven. Deze onderdrukking wordt vervolgens verpakt in een religieus jasje, alsof het “goddelijke wil” is, en wie durft te protesteren, wordt weggezet als ongelovige of zondaar.

Het argument dat religie “traditie” is en dus gerespecteerd moet worden, is zwak. Traditie is geen vrijbrief om ongelijkheid in stand te houden. Slavernij, kolonialisme en apartheid werden ooit ook verdedigd met religieuze en traditionele argumenten, maar de wereld heeft die structuren terecht als onrechtvaardig verworpen. Waarom zouden we dan accepteren dat vrouwen in de huidige tijd nog steeds systematisch opzij worden geschoven omdat een oud boek dat zo voorschrijft?

De kernvraag is simpel: als religie werkelijk bedoeld is om mensen dichter bij een rechtvaardig en liefdevol leven te brengen, waarom is de positie van de vrouw daar dan niet een vanzelfsprekend onderdeel van? Werkelijke spiritualiteit kan geen ongelijkheid dulden. Een geloof dat vrouwen achterstelt, kiest bewust voor macht boven rechtvaardigheid. 

Het is tijd dat religies hun eeuwenoude structuren kritisch onder de loep nemen. Wie vasthoudt aan ongelijkheid in naam van God, bewijst geen trouw aan het geloof, maar slechts trouw aan machtsbehoud. Gelijkheid tussen man en vrouw is geen luxe of “westerse uitvinding”, maar een fundamenteel mensenrecht. Zolang religies dat niet erkennen, zullen ze niet alleen 1000 jaar achterlopen, maar ook steeds minder relevant worden in een wereld die verder wil kijken dan het verleden.

De mens: het meest absurde wezen op aarde

 Het vreemde bestaan van ons rechtssysteem

Het is eigenlijk een merkwaardige vaststelling: we hebben complete instituties gebouwd zoals rechtbanken, gevangenissen, politieapparaten en zelfs militaire machten, enkel en alleen om onszelf in toom te houden. Dat zulke structuren nodig zijn, zegt misschien minder over “orde” of “rechtvaardigheid” dan over hoe ver we als mensheid nog moeten gaan in onze evolutie.

Als je er even bij stilstaat, klinkt het bijna absurd. Dieren in de natuur hebben geen rechtbanken nodig om conflicten op te lossen. Ze volgen instincten, sociale regels binnen hun groep en vinden een balans. Wij mensen, zogezegd het meest rationele en beschaafde wezen, blijken echter systemen te moeten optuigen waarin anderen ons vertellen wat goed en fout is, en waarin dreiging met geweld of opsluiting noodzakelijk is om gedrag te sturen.

Dat zou ons tot nadenken moeten stemmen. Want in essentie is een rechtssysteem een pleister op een wond die wij zelf creëren: ons egoïsme, onze neiging tot hebzucht, macht en conflict. Als we werkelijk in harmonie met elkaar zouden kunnen leven, uit respect, empathie en inzicht, dan zou een rechter overbodig zijn. Dan zou politie enkel een historisch begrip zijn. Dan zou het leger niets meer zijn dan een anachronisme in de geschiedenisboeken.

Natuurlijk, vandaag de dag zijn deze structuren nog bittere noodzaak. Zonder politie zou chaos dreigen, zonder rechtspraak zou willekeur regeren. Maar dat is net de paradox: wij hebben die instituties nodig omdat wij zélf nog niet ver genoeg geëvolueerd zijn om zonder te kunnen. Ze zijn een spiegel die ons confronteert met onze onvolwassenheid als soort.

Het roept de vraag op: waar streven we eigenlijk naartoe? Willen we een samenleving die steeds meer controlemechanismen opbouwt, steeds complexere wetten opstelt, steeds zwaardere beveiliging nodig heeft? Of dromen we van een wereld waarin zulke systemen kunnen verdwijnen, omdat de mens zichzelf heeft overstegen?

Misschien ligt daar de echte uitdaging: niet het perfectioneren van ons rechtssysteem, maar het werken aan onszelf. Pas wanneer respect en wederzijds begrip de norm zijn, zal de politie overbodig worden. Pas wanneer we machtsdrang achter ons laten, kan het leger ophouden te bestaan. Het rechtssysteem is geen bewijs van onze beschaving, maar een bewijs dat we nog een lange weg te gaan hebben.

Het "korte lontje" van vandaag

Terug in de evolutie

Het lijkt alsof we in een tijdperk leven waarin geduld en verdraagzaamheid steeds zeldzamer worden. Een "verkeerde" opmerking, een ongelukkig gekozen woord of een grap die verkeerd valt: het is vaak genoeg om iemand in de aanval te zien schieten. Het korte lontje is niet langer een uitzondering, maar bijna de norm. In plaats dat de mens evolueert in een verstandig en nadenkend wezen, lijkt het er op dat de mens terug zakt in de evolutie en zich niet meer in de hand heeft. 

Waar men vroeger misschien schouderophalend voorbij ging aan een onhandige opmerking, lijkt er nu steeds vaker een reflex van verontwaardiging, boosheid of zelfs agressie te ontstaan. Sociale media spelen hierin een niet te onderschatten rol. Het digitale podium geeft iedereen een stem, maar ook een vergrootglas. Een grap die ooit binnen een kleine kring bleef hangen, wordt nu door duizenden mensen gezien, beoordeeld en veroordeeld. Het publieke oordeel is vaak sneller en harder dan ooit tevoren.

Toch gaat het niet alleen om online gedrag. Ook in het dagelijks leven zien we hoe dun de huid van velen is geworden. In het verkeer, in de supermarkt, op het werk: kleine irritaties lopen uit op scheldpartijen of ruzies. Het lijkt alsof er steeds minder ruimte is voor nuance, relativering of simpelweg het respecteren van een verschil van mening.

Misschien komt dit door de druk van onze tijd. De snelheid van het leven, prestatiedruk, onzekerheid en polarisatie maken mensen gevoeliger en korter van stof. Maar dat mag geen excuus zijn om voortdurend de ander te veroordelen of aan te vallen.

We zouden er beter aan doen elkaar vaker het voordeel van de twijfel te geven. Niet elke opmerking is bedoeld als aanval, niet elke grap is kwaadaardig. Soms is het simpelweg een verschil in humor, in perspectief of in achtergrond. En soms is het ook gewoon een fout..., en fouten maken we allemaal.

Het korte lontje maakt de samenleving niet sterker, maar brozer. Het leidt tot meer afstand, wantrouwen en vijandigheid. Juist nu hebben we behoefte aan meer verdraagzaamheid, aan het vermogen om elkaar uit te laten spreken en om te erkennen dat we het niet altijd met elkaar eens hoeven te zijn.

Want uiteindelijk is een samenleving waarin iedereen elkaar constant de maat neemt geen gezonde samenleving. Het is tijd om onze lontjes weer wat langer te maken...., voor elkaar, en misschien ook voor onszelf.

Jou welzijn is hun verdienmodel

Bedrijven die je zogenaamd helpen

Bedrijven die zeggen dat ze jou willen helpen, verkopen je in werkelijkheid vooral een illusie. Ze doen alsof ze begaan zijn met je gezondheid en geluk, maar achter dat masker draait alles om één ding...: winst. Supplementen, attributen, “must-haves” voor een beter leven...., ze smijten ermee alsof ze de sleutel tot jouw welzijn in handen hebben. Maar de waarheid is simpel: ze kennen je niet, en ze wíllen je ook niet kennen.

Want hoe kan een bedrijf dat duizenden anonieme klanten tegelijk bedient, oprecht geïnteresseerd zijn in jou als individu? Het kan niet. Toch schermen ze met woorden als zorg, balans, energie, vitaliteit. Het zijn geen beloftes, het zijn verkooptrucs. Ze spelen in op onzekerheden, creëren problemen die je niet hebt, en bieden vervolgens hun eigen product als oplossing aan. Dat is geen hulp, dat is manipulatie.

De zorg die ze uitstralen is een masker. Een masker dat verborgen moet houden dat jouw gezondheid voor hen niets meer is dan een marketingtool. Jouw welzijn is hun uithangbord, maar hun echte motivatie ligt bij je bankrekening. Je bent geen mens in hun ogen, je bent een klantnummer.

En laten we eerlijk zijn: als ze écht om mensen gaven, zouden ze luisteren, individueel advies geven, en niet iedereen hetzelfde wondermiddel aansmeren. Maar dat kost tijd en levert minder op. Dus verkopen ze massaproducten in mooie verpakkingen, terwijl ze jou doen geloven dat je gezien en begrepen wordt.

Het wordt tijd dat we dit doorzien. Want zolang we blijven geloven in hun praatjes, blijven we hun kas spekken. Hun zorg is nep, hun empathie is geveinsd. Het enige wat écht is, is hun honger naar winst.

Extreme rechts nazistische groepen

De voedingsbodem voor rechts-extremistische en nazistische groepen in Nederland

In Nederland wordt de aanwezigheid van rechts-extremistische en zelfs openlijk nazistische groepen vaak gezien als een randverschijnsel. Ondanks het geweld en de intimidatie die ze gebruiken, wat ten zeerste is af te keuren en daadkrachtig moet worden bestrijd, is het toch te gemakkelijk om deze bewegingen af te doen als slechts het domein van een paar ontspoorde individuen. Wie dieper kijkt, ziet een samenspel van maatschappelijke, culturele en psychologische factoren die deze stromingen voeden.

Sociaal-economische onzekerheid
Veel jongeren die in aanraking komen met extremistische groepen ervaren bestaansonzekerheid: tijdelijke banen, hoge woonlasten en weinig perspectief. Rechts-extremistische bewegingen presenteren zich vaak als een “alternatief” dat houvast biedt en de schuld bij een duidelijke vijand legt: migranten, Europa, of “de elite”.

Angst voor culturele verandering
De Nederlandse samenleving is in korte tijd diverser geworden. Voor veel mensen is dat verrijkend, maar sommigen ervaren het als een bedreiging voor hun eigen identiteit en tradities. Extreemrechtse en nazistische groepen spelen hierop in door een nostalgisch beeld te schetsen van een homogeen verleden dat zou zijn ondermijnd door immigratie en globalisering.

Digitalisering en gelijkgestemde bubbels
Het internet heeft een versnellend effect. Via sociale media vinden gelijkgestemden elkaar eenvoudig, waardoor kleine groepen sneller een gevoel van gemeenschap krijgen. Algoritmes versterken dit door gebruikers vooral meer van hetzelfde te tonen. Zo radicaliseren jongeren soms ongemerkt binnen online subculturen waarin haat, complottheorieën en geweld worden genormaliseerd.

Politieke onvrede en wantrouwen
Een groeiend deel van de bevolking voelt zich niet vertegenwoordigd door de politiek. Vertrouwen in instituties, media, overheid, wetenschap enzovoort neemt af. Rechts-extremistische groepen profiteren hiervan door zich te presenteren als de “ware stem van het volk”, tegenover een zogenaamd corrupte elite.

Psychologische factoren
Voor sommigen speelt een diepere behoefte aan erkenning en zingeving mee. Nazistische symboliek, strakke hiërarchieën en het idee van “uitverkoren zijn” geven een gevoel van macht en betekenis, vooral aan jongeren die zich buitengesloten of onzichtbaar voelen.

De uitdaging voor de samenleving
Het ontstaan van deze groepen is dus niet los te zien van bredere maatschappelijke problemen: ongelijkheid, onzekerheid, verlies aan vertrouwen en culturele spanningen. Het bestrijden van rechts-extremisme vraagt daarom niet alleen om harde repressie en veiligheidsmaatregelen, maar ook om een investering in onderwijs, gelijke kansen en het versterken van gemeenschapsgevoel.

Nederland moet zich blijven inzetten voor een samenleving waarin iedereen zich gezien voelt, zonder dat dit ten koste gaat van anderen. Want extremisme groeit daar waar mensen het gevoel hebben dat ze geen plek meer hebben in het midden.

Aangeprate ziektes

Aangeprate ziektes: angst als verdienmodel

Zet de televisie aan of scroll even door sociale media en je wordt overspoeld met waarschuwingen. Campagnes vertellen ons dat iedereen op elk moment kanker kan krijgen, dat diabetes om de hoek ligt, of dat er een stille hartaanval in ons schuilt. Natuurlijk volgt er steevast een oproep tot doneren, of een subtiele boodschap die je richting een check, supplement of behandeling stuurt. Het lijkt haast alsof ziekte niet alleen een medisch fenomeen is, maar ook een commercieel product.

De angstindustrie
Angst is een krachtig middel. Wanneer mensen bang zijn, zoeken ze houvast. Reclames en campagnes spelen daar slim op in. Ze schetsen scenario’s van lijden en onzekerheid, en suggereren vervolgens dat je door middel van een kleine bijdrage of medische check de controle terugkrijgt. Dat lijkt nobel, maar het heeft ook een keerzijde: mensen worden hyperalert op elk pijntje, ieder ongemak. En met die hyperalertheid belanden ze massaal in de wachtkamer van de huisarts.

De medische molen draait altijd door
Eenmaal bij de arts komt er vaak “iets” uit. Want wie zoekt, die vindt. Een lichte afwijking in het bloed, een plekje dat misschien toch in de gaten gehouden moet worden, een cholesterolwaarde die net buiten de norm valt. Zo ontstaat een sneeuwbaleffect: meer onderzoeken, meer behandelingen, meer kosten. Ziekte wordt zo niet alleen gediagnosticeerd, maar soms ook geproduceerd.

Marktwerking of massahysterie?
De vraag is gerechtvaardigd: hebben we hier te maken met een noodzakelijke voorlichting, of met een vorm van marktwerking die ons ziek praat? De zorgsector is niet immuun voor economische prikkels. Meer patiënten betekent meer verrichtingen, meer declaraties, meer omzet. Combineer dat met farmaceutische bedrijven die baat hebben bij een grote afzetmarkt, en je krijgt een systeem waarin gezondheid soms ondergeschikt lijkt aan winst.

Wat doet dit met de mens?
Het constante bombardement van ziektedreiging maakt mensen onzeker. Gezonde lichamen worden door reclames verdacht gemaakt. Zelfvertrouwen in je eigen vitaliteit maakt plaats voor een permanente twijfel: “Zou ik iets hebben zonder dat ik het weet?” Het idee van preventie, op zich waardevol, slaat om in een cultuur van achterdocht en afhankelijkheid.

Tijd voor nuchterheid
Natuurlijk bestaan er ernstige ziektes en natuurlijk is vroegtijdige opsporing soms levensreddend. Maar de balans lijkt zoek. Als samenleving moeten we ons afvragen: beschermen we mensen met deze campagnes, of maken we hen juist onnodig ziek in hun hoofd? Gezondheid is meer dan de afwezigheid van ziekte; het is ook vertrouwen in je eigen lichaam, ruimte voor ontspanning en leven zonder constante angst.

Misschien is het tijd dat we onszelf én onze artsen weer iets vaker de vraag stellen: is dit werkelijk zorg, of wordt hier een probleem verkocht dat er misschien helemaal niet is?