Het A-merk als zelfbedrog
In de supermarkt sta je voor het schap. Twee pakken staan naast elkaar: het ene met een strakke, glanzende verpakking en een bekend logo. Het andere simpel, sober, met het label van de winkel zelf. Het prijsverschil? Soms wel 30, 40 of zelfs 50 procent. Wat veel mensen niet weten, of liever niet wíllen weten, is dat beide producten vaak uit exact dezelfde fabriek komen. Zelfde ingrediënten, zelfde machine, soms zelfs dezelfde productiedag. Alleen het jasje verschilt.
Toch grijpen velen zonder nadenken naar het A-merk. “Het smaakt beter,” zeggen ze. “Het is van hogere kwaliteit.” Maar hoe kan iets objectief beter zijn als de inhoud identiek is? Hier speelt geen verschil in product, maar in psychologie. Reclamecampagnes, slimme slogans en zorgvuldig opgebouwde merkverhalen hebben ons geleerd dat het logo vertrouwen wekt. We betalen niet voor betere melk, pasta of pindakaas, maar voor een gevoel.
Merken weten dat als je een verhaal verkoopt, je een hogere prijs kunt vragen. Ze creëren een identiteit waar consumenten zich mee willen associëren: stoer, luxe, gezond, authentiek. De prijssticker is daarbij geen hinder, maar juist een signaal: “dit is premium, dus beter.” Dat mechanisme werkt zó goed dat mensen zichzelf overtuigen dat ze daadwerkelijk verschil proeven. Ons brein vult de illusie aan.
Het wrange is dat deze illusie een dure hobby is. Voor het geld dat een gemiddeld gezin per jaar extra uitgeeft aan A-merken, zou je een week op vakantie kunnen. En het enige dat je ervoor terugkrijgt, is een mooiere verpakking en een merknaam die je brein streelt.
De vraag is dus: blijven we onszelf voor de gek houden, of kiezen we bewust voor wat er écht toe doet zoals de inhoud en niet de schijn van het etiket? Want de enige winst van het A-merk is vaak die van de fabrikant, niet die van onze portemonnee.