Vrijheid zonder voorwaarden
In een tijd waarin samenlevingen steeds diverser worden, groeit ook de behoefte aan een gedeelde basis van vrijheid en wederzijds respect. Juist daar ligt de kracht van ongelovigen. Niet omdat zij moreel superieur zouden zijn, maar omdat een niet-religieuze levenshouding in de praktijk vaak minder voorwaarden stelt aan wie “erbij hoort”.
Ongelovigen delen doorgaans geen heilige tekst die voorschrijft hoe anderen moeten leven. Daardoor is hun morele kompas meestal gebaseerd op universele principes als gelijkwaardigheid, autonomie en wederzijds respect. Wie je bent, van wie je houdt of wat je gelooft, is geen reden om uitgesloten te worden. Vrouwen, homo’s, LHBTI+’ers en mensen met uiteenlopende overtuigingen worden in principe in hun waarde gelaten. Niet omdat dat “moet”, maar omdat vrijheid alleen geloofwaardig is wanneer die voor iedereen geldt.
Dat staat in contrast met veel religieuze tradities, waarin morele regels zijn vastgelegd in oude geschriften die ontstonden in een heel andere tijd.
Natuurlijk: gelovigen vormen geen homogene groep. Er zijn ruimdenkende christenen, joden en moslims die individuele vrijheid verdedigen en inclusiviteit omarmen. Maar institutioneel en doctrinair wringt het vaak. Zodra een heilige tekst als ultieme waarheid wordt gezien, ontstaat spanning met moderne opvattingen over gelijkheid en zelfbeschikking.
Met name binnen de islam is die spanning zichtbaar, al verschilt de praktijk sterk per land, gemeenschap en individu. De Koran en de daarop gebaseerde interpretaties spelen voor veel moslims een centrale rol in het dagelijks leven. Dat is hun goed recht. Tegelijkertijd laten conservatieve interpretaties weinig ruimte voor afwijkende levensstijlen: homoseksualiteit wordt afgewezen, vrouwenrechten ingeperkt en afvalligheid bestraft...., soms sociaal, soms wettelijk. Het probleem zit hier niet in mensen, maar in ideeën die moeilijk te verenigen zijn met een open, seculiere rechtsstaat.
Ongelovigheid kent die structurele beperking niet. Wie geen beroep doet op goddelijke autoriteit, hoeft zijn moraal niet te verdedigen met “zo staat het geschreven”. Dat maakt het makkelijker om inzichten te herzien, mee te bewegen met maatschappelijke vooruitgang en kritiek serieus te nemen. Tolerantie is dan geen gunst, maar een logisch gevolg van het uitgangspunt dat niemand de absolute waarheid bezit.
De conclusie is niet dat gelovigen per definitie onverdraagzaam zijn of dat religie geen positieve rol kan spelen in iemands leven. Wel dat religie, zodra zij richtinggevend wordt voor wetgeving en sociale normen, vaak botst met individuele vrijheden. Op dat vlak hebben ongelovigen een belangrijk voordeel: hun overtuiging sluit niemand uit. In een pluriforme samenleving is dat geen detail, maar een kracht.