Een God als excuus

De menselijke honger naar houvast: waarom we geloven in het ongrijpbare?

Er is iets fundamenteels aan de mens: we kunnen niet leven met het idee dat dingen zomaar gebeuren. Dat iets geen reden heeft. Dat het leven soms willekeurig, chaotisch of zelfs wreed is, zonder verklaring. En dus zoeken we verklaringen. En als die er niet zijn, maken we ze zelf. We wijzen omhoog. Naar een God, naar een hogere macht, naar iets wat ons overstijgt. Iets dat wél begrijpt wat wij niet snappen.

Het geloof dat er "meer is" dan wat we kunnen waarnemen, lijkt universeel. Iets wat buiten ons ligt, groter, wijzer, alles overziend. Die gedachte geeft rust. Het verklaart het onverklaarbare, het verzacht het ondragelijke, het geeft richting waar verwarring heerst. In een wereld vol onzekerheid is een God het perfecte anker. Want een God is onaantastbaar. Hij stelt geen vragen terug. Hij bevestigt alles wat je in Hem legt.

En precies dát maakt het geloof in God ook zo gevaarlijk. Want wie het onaantastbare tot waarheid verheft, krijgt carte blanche. "Met Gods wil" of "In de naam van God" zijn geen vrijblijvende uitspraken. Het zijn rechtvaardigingen voor hulp, en ja, ook voor geweld, haat, oorlog, wraak en zelfs genocide. Want als God het wil, wie ben jij dan om tegen te spreken?

Het is pijnlijk om te zien hoe vaak het geloof, dat ooit bedoeld was als bron van troost of moreel kompas, wordt ingezet als wapen. Niet omdat God dat vraagt, maar omdat mensen het nodig hebben. Een verklaring. Een houvast. Een reden voor het onredelijke. Een excuus voor het onmenselijke.

Wat we niet begrijpen, verklaren we als “het werk van God” of “iets bovennatuurlijks”. Dat is makkelijker dan zeggen: ik weet het niet. Onwetendheid is oncomfortabel. Twijfel is eng. Het idee dat er geen reden is, dat er geen hogere bedoeling achter lijden of dood schuilt, dat is ondraaglijk voor velen. En dus verzinnen we er één. Liever een fictieve reden dan geen reden.

Op dat punt lijkt de mens te zijn blijven steken in zijn evolutie. We hebben technologie ontwikkeld, ziektes overwonnen, zijn de ruimte in gereisd, maar als we geconfronteerd worden met iets wat we niet begrijpen, reageren we nog altijd als grotbewoners: met verhalen, symbolen of goden. Het ongrijpbare moet een gezicht krijgen, anders kunnen we het niet aan.

Dat wil niet zeggen dat geloof zinloos is. Voor veel mensen is religie een bron van troost, richting en gemeenschap. Maar het moment dat geloof een deken wordt om onszelf niet langer te confronteren met wat we niet begrijpen, gaat er iets mis. Dan gebruiken we het niet om de wereld te verlichten, maar om haar te verduisteren, om vragen te smoren in plaats van ze te stellen.

De mens wil houvast. Dat is begrijpelijk. Maar soms is het krachtiger om in het onbekende te durven blijven staan, zonder het direct te vullen met een verklaring van boven. Misschien zit juist dáár de werkelijke groei: in het durven twijfelen, en in het erkennen dat niet alles te begrijpen hoeft te zijn, en dat het "niet weten" geen zwakte is, maar een uitnodiging tot denken, voelen, mens zijn.