De Nederlandse Ziekte: Altijd Maar Bezig Zijn
Er is iets merkwaardigs aan de hand in Nederland. We leven in een land dat prat gaat op efficiëntie, arbeidsethos en prestatiegerichtheid, en tegelijkertijd massaal lijdt aan stress, burn-outs en een groeiend gevoel van leegte. De paradox is schrijnend: we zijn drukker dan ooit, maar lijken steeds minder echt te leven.
De Nederlandse samenleving is de afgelopen decennia ingericht rondom het idee dat bezig zijn goed is. Stilstand voelt verdacht, rust is verdacht, nietsdoen is bijna een zonde. Zodra er even geen werk, zorgtaak of sociale verplichting is, ontstaat bij velen een ongemakkelijk gevoel. “Ik zou eigenlijk iets moeten doen,” hoor je mensen zeggen, alsof rust een gebrek aan discipline verraadt.
Dat is geen toeval, maar een gevolg van een politiek en economisch systeem dat het “altijd aanstaan” beloont. De tweeverdienersnorm is inmiddels zo diep verankerd dat één inkomen nauwelijks nog voldoende is om een huishouden draaiende te houden. De overheid moedigt werken aan, werkgevers prijzen inzet boven welzijn, en zelfs scholen bereiden kinderen al vroeg voor op een leven waarin presteren centraal staat. Wie niet meedraait, voelt zich al snel tekortschieten.
De prijs die we daarvoor betalen, is hoog. Burn-outklachten en overspannenheid zijn inmiddels zo gewoon geworden dat ze bijna als onvermijdelijk worden gezien..., een soort moderne beroepsziekte. Psychologen draaien overuren, maar de fundamentele vraag wordt zelden gesteld: waarom accepteren we dat een leven vol stress en haast de norm is geworden?
En terwijl volwassenen zich uitputten in de ratrace, groeit een generatie kinderen op zonder voldoende aandacht, rust of grenzen. De opvoeding raakt ondergesneeuwd tussen vergaderingen, deadlines en ploegendiensten. Het gevolg is zichtbaar: jongeren met concentratieproblemen, emotionele onrust en een groeiend gevoel van richtingloosheid. Wanneer ouders continu opgebrand zijn, wie leert kinderen dan nog hoe het is om te ontspannen, om stil te staan bij jezelf?
De politiek draagt hierin een grote verantwoordelijkheid. In plaats van een samenleving te bouwen waarin welzijn centraal staat, blijft de nadruk liggen op economische groei en arbeidsparticipatie. We worden aangespoord om meer te werken, langer te werken, productiever te zijn, alsof menselijk geluk meetbaar is in werkuren en belastingopbrengsten.
Maar misschien is het tijd voor een radicaal andere koers. Eentje waarin rust geen luxe is, maar een recht. Waarin het niet verdacht is om even niets te doen. Waarin kinderen weer ouders zien die tijd hebben..., niet alleen voor hun werk, maar voor elkaar.
De grootste stap vooruit die Nederland kan zetten, is misschien wel leren stilstaan.